Verdiep je in de Heilige Koran
Lees elke Surah in het Arabisch, fonetisch en Nederlands. Ontdek de tijdloze wijsheid van de Islamitische geschriften
بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ ١
In de naam van Allah, de meest Barmhartige, de meest Genadevolle.
Bismi Allahi arrahmani arraheem
ٱلۡحَمۡدُ لِلَّهِ رَبِّ ٱلۡعَٰلَمِينَ ٢
Alle lof en dank komt (alléén) Allah toe, de Bezitter van (alle) wereldwezens (mensen, Djinn, Engelen en de rest van Zijn volledige schepping).
Alhamdu lillahi rabbi alAAalameen
ٱلرَّحۡمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ ٣
De meest Barmhartige (voor elk wezen in dit leven), de meest Genadevolle (voor Zijn gelovigen in het Hiernamaals).
Arrahmani arraheem
مَٰلِكِ يَوۡمِ ٱلدِّينِ ٤
De Heerser op de Dag des Oordeels.
Maliki yawmi addeen
إِيَّاكَ نَعۡبُدُ وَإِيَّاكَ نَسۡتَعِينُ ٥
U (alléén) aanbidden wij, en U (alléén) vragen wij om hulp.
Iyyaka naAAbudu waiyyaka nastaAAeen
ٱهۡدِنَا ٱلصِّرَٰطَ ٱلۡمُسۡتَقِيمَ ٦
Leidt ons op het rechte Pad.
Ihdina assirata almustaqeem
صِرَٰطَ ٱلَّذِينَ أَنۡعَمۡتَ عَلَيۡهِمۡ غَيۡرِ ٱلۡمَغۡضُوبِ عَلَيۡهِمۡ وَلَا ٱلضَّآلِّينَ ٧
Het Pad van degenen aan wie U gunsten hebt geschonken (verwijzend naar de Profeten en meer specifiek Mohammed) en niet (naar het pad) van degenen die Uw toorn hebben opgewekt (degenen die de Waarheid verwerpen of verbergen) noch (naar het pad) van de dwalenden.
Sirata allatheena anAAamta AAalayhim ghayri almaghdoebi AAalayhim wala addalleen
بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
In de naam van Allah, de meest Barmhartige, de meest Genadevolle.
Bismi Allahi arrahmani arraheem
الٓمٓ ١
Alif, Lām, Mīm.
Aliflammeem
ذَٰلِكَ ٱلۡكِتَٰبُ لَا رَيۡبَۛ فِيهِۛ هُدٗى لِّلۡمُتَّقِينَ ٢
Dit is het Boek, waarover geen twijfel bestaat, een leidraad voor degenen die godvrezend zijn.
Thalika alkitabu la rayba feehi hudan lilmuttaqeen
ٱلَّذِينَ يُؤۡمِنُونَ بِٱلۡغَيۡبِ وَيُقِيمُونَ ٱلصَّلَوٰةَ وَمِمَّا رَزَقۡنَٰهُمۡ يُنفِقُونَ ٣
Degenen die in het onwaarneembare geloven en de gebeden volmaakt verrichten en die weldoen met hetgeen Wij hen hebben geschonken. (die dit aan en henzelf, hun ouders, hun kinderen, hun echtgenoten etc. besteden en die aalmoezen aan de armen geven en geld besteden op Allah’s weg)
Allatheena yuminoena bilghaybi wayuqeemoena assalata wamimma razaqnahum yunfiqoen
وَٱلَّذِينَ يُؤۡمِنُونَ بِمَآ أُنزِلَ إِلَيۡكَ وَمَآ أُنزِلَ مِن قَبۡلِكَ وَبِٱلۡأٓخِرَةِ هُمۡ يُوقِنُونَ ٤
En die geloven in datgene dat aan jou (O Mohammed) is neergezonden. En wat vóór jou is neergezonden. En zij geloven met zekerheid in het Hiernamaals.
Wallatheena yuminoena bima onzila ilayka wama onzila min qablika wabilakhirati hum yoeqinoen
أُوْلَٰٓئِكَ عَلَىٰ هُدٗى مِّن رَّبِّهِمۡۖ وَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡمُفۡلِحُونَ ٥
Zij hebben de leiding van hun Heer en zullen daarom succes hebben.
Olaika AAala hudan min rabbihim waolaika humu almuflihoen
إِنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ سَوَآءٌ عَلَيۡهِمۡ ءَأَنذَرۡتَهُمۡ أَمۡ لَمۡ تُنذِرۡهُمۡ لَا يُؤۡمِنُونَ ٦
Waarlijk, voor degenen die ongelovig zijn maakt het geen verschil of jij ze al dan niet waarschuwt: ze zullen toch niet geloven.
Inna allatheena kafaroe sawaon AAalayhim aanthartahum am lam tunthirhum la yuminoen
خَتَمَ ٱللَّهُ عَلَىٰ قُلُوبِهِمۡ وَعَلَىٰ سَمۡعِهِمۡۖ وَعَلَىٰٓ أَبۡصَٰرِهِمۡ غِشَٰوَةٞۖ وَلَهُمۡ عَذَابٌ عَظِيمٞ ٧
Allah heeft hun harten en hun gehoor verzegeld en over hun ogen is er een bedekking. Hun zal een grote bestraffing ten deel vallen.
Khatama Allahu AAala quloebihim waAAala samAAihim waAAala absarihim ghishawatun walahum AAathabun AAatheem
وَمِنَ ٱلنَّاسِ مَن يَقُولُ ءَامَنَّا بِٱللَّهِ وَبِٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِ وَمَا هُم بِمُؤۡمِنِينَ ٨
En er zijn er onder de mensen die zeggen: “Wij geloven in Allah en de laatste dag” terwijl zij geen gelovigen zijn.
Wamina annasi man yaqoelu amanna biAllahi wabilyawmi alakhiri wama hum bimumineen
يُخَٰدِعُونَ ٱللَّهَ وَٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَمَا يَخۡدَعُونَ إِلَّآ أَنفُسَهُمۡ وَمَا يَشۡعُرُونَ ٩
Zij trachten Allah en degenen die geloven te bedriegen, terwijl zij slechts zichzelf bedriegen en zij beseffen (het) niet.
YukhadiAAoena Allaha wallatheena amanoe wama yakhdaAAoena illa anfusahum wama yashAAuroen
فِي قُلُوبِهِم مَّرَضٞ فَزَادَهُمُ ٱللَّهُ مَرَضٗاۖ وَلَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمُۢ بِمَا كَانُواْ يَكۡذِبُونَ ١٠
In hun harten is een ziekte en Allah heeft de ziekte doen toenemen. Er is voor hen een pijnlijke bestraffing, want zij hadden de gewoonte om leugens te vertellen.
Fee quloebihim maradun fazadahumu Allahu maradan walahum AAathabun aleemun bima kanoe yakthiboen
وَإِذَا قِيلَ لَهُمۡ لَا تُفۡسِدُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ قَالُوٓاْ إِنَّمَا نَحۡنُ مُصۡلِحُونَ ١١
En wanneer tegen hen gezegd werd: “Zaai geen verderf op aarde,” dan zeggen zij: “Wij zijn slechts vredestichters.”
Waitha qeela lahum la tufsidoe fee alardi qaloe innama nahnu muslihoen
أَلَآ إِنَّهُمۡ هُمُ ٱلۡمُفۡسِدُونَ وَلَٰكِن لَّا يَشۡعُرُونَ ١٢
Waarlijk! Zij zijn degenen die verderf zaaien maar zij beseffen het niet.
Ala innahum humu almufsidoena walakin la yashAAuroen
وَإِذَا قِيلَ لَهُمۡ ءَامِنُواْ كَمَآ ءَامَنَ ٱلنَّاسُ قَالُوٓاْ أَنُؤۡمِنُ كَمَآ ءَامَنَ ٱلسُّفَهَآءُۗ أَلَآ إِنَّهُمۡ هُمُ ٱلسُّفَهَآءُ وَلَٰكِن لَّا يَعۡلَمُونَ ١٣
En als er tot hen wordt gezegd: “Gelooft zoals andere mensen geloven” zeggen zij: “Moeten wij geloven zoals de dwazen hebben geloofd?” Waarlijk, zij zijn de dwazen, maar zij weten het niet.
Waitha qeela lahum aminoe kama amana annasu qaloe anuminu kama amana assufahao ala innahum humu assufahao walakin la yaAAlamoen
وَإِذَا لَقُواْ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ قَالُوٓاْ ءَامَنَّا وَإِذَا خَلَوۡاْ إِلَىٰ شَيَٰطِينِهِمۡ قَالُوٓاْ إِنَّا مَعَكُمۡ إِنَّمَا نَحۡنُ مُسۡتَهۡزِءُونَ ١٤
En als ze gelovigen tegenkomen, zeggen zij: “Wij geloven,” maar als zij alleen zijn met hun duivels zeggen zij: “Waarlijk wij behoren bij jullie, waarlijk, wij spotten slechts.”
Waitha laqoe allatheena amanoe qaloe amanna waitha khalaw ila shayateenihim qaloe inna maAAakum innama nahnu mustahzioen
ٱللَّهُ يَسۡتَهۡزِئُ بِهِمۡ وَيَمُدُّهُمۡ فِي طُغۡيَٰنِهِمۡ يَعۡمَهُونَ ١٥
Allah spot met hen en zal hen blindelings in hun overtreding verder laten afdwalen.
Allahu yastahzio bihim wayamudduhum fee tughyanihim yaAAmahoen
أُوْلَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ ٱشۡتَرَوُاْ ٱلضَّلَٰلَةَ بِٱلۡهُدَىٰ فَمَا رَبِحَت تِّجَٰرَتُهُمۡ وَمَا كَانُواْ مُهۡتَدِينَ ١٦
Zij zijn degenen die de Leiding voor de dwaling hebben verruild: hun handel is dus zonder winst. En zij zijn niet geleid.
Olaika allatheena ishtarawoe addalalata bilhuda fama rabihat tijaratuhum wama kanoe muhtadeen
مَثَلُهُمۡ كَمَثَلِ ٱلَّذِي ٱسۡتَوۡقَدَ نَارٗا فَلَمَّآ أَضَآءَتۡ مَا حَوۡلَهُۥ ذَهَبَ ٱللَّهُ بِنُورِهِمۡ وَتَرَكَهُمۡ فِي ظُلُمَٰتٖ لَّا يُبۡصِرُونَ ١٧
Zij lijken op degenen die een vuur aansteken; als het dan rond om hen heen licht is, neemt Allah hun licht weg en laat hen in het donker achter. Zij kunnen (dus) niet zien.
Mathaluhum kamathali allathee istawqada naran falamma adaat ma hawlahu thahaba Allahu binoerihim watarakahum fee thulumatin la yubsiroen
صُمُّۢ بُكۡمٌ عُمۡيٞ فَهُمۡ لَا يَرۡجِعُونَ ١٨
Zij zijn doof, stom en blind en keren dus niet terug.
Summun bukmun AAumyun fahum la yarjiAAoen
أَوۡ كَصَيِّبٖ مِّنَ ٱلسَّمَآءِ فِيهِ ظُلُمَٰتٞ وَرَعۡدٞ وَبَرۡقٞ يَجۡعَلُونَ أَصَٰبِعَهُمۡ فِيٓ ءَاذَانِهِم مِّنَ ٱلصَّوَٰعِقِ حَذَرَ ٱلۡمَوۡتِۚ وَٱللَّهُ مُحِيطُۢ بِٱلۡكَٰفِرِينَ ١٩
Of als de regenbui uit de hemel waarin duisternis, donder en bliksem is. Zij stoppen hun vingers in hun oren om de donderslag niet te horen, omdat zij bang zijn voor de dood. Maar Allah omsluit altijd de ongelovigen.
Aw kasayyibin mina assamai feehi thulumatun waraAAdun wabarqun yajAAaloena asabiAAahum fee athanihim mina assawaAAiqi hathara almawti wallahu muheetun bilkafireen
يَكَادُ ٱلۡبَرۡقُ يَخۡطَفُ أَبۡصَٰرَهُمۡۖ كُلَّمَآ أَضَآءَ لَهُم مَّشَوۡاْ فِيهِ وَإِذَآ أَظۡلَمَ عَلَيۡهِمۡ قَامُواْۚ وَلَوۡ شَآءَ ٱللَّهُ لَذَهَبَ بِسَمۡعِهِمۡ وَأَبۡصَٰرِهِمۡۚ إِنَّ ٱللَّهَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٞ ٢٠
De bliksem verblindt hen haast, als het voor hen flitst dan lopen zij erin en als het donker is, staan ze stil. En als Allah het gewild had, had Hij hun gehoor en gezicht weg kunnen nemen. Allah heeft beslist macht over alle zaken.
Yakadu albarqu yakhtafu absarahum kullama adaa lahum mashaw feehi waitha athlama AAalayhim qamoe walaw shaa Allahu lathahaba bisamAAihim waabsarihim inna Allaha AAala kulli shayin qadeer
يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ ٱعۡبُدُواْ رَبَّكُمُ ٱلَّذِي خَلَقَكُمۡ وَٱلَّذِينَ مِن قَبۡلِكُمۡ لَعَلَّكُمۡ تَتَّقُونَ ٢١
O Mensheid! Aanbidt jullie Heer Die jullie en degenen vóór jullie geschapen heeft, zodat jullie godvrezend worden.
Ya-ayyuha annasu oAAbudoe rabbakumu allathee khalaqakum wallatheena min qablikum laAAallakum tattaqoen
ٱلَّذِي جَعَلَ لَكُمُ ٱلۡأَرۡضَ فِرَٰشٗا وَٱلسَّمَآءَ بِنَآءٗ وَأَنزَلَ مِنَ ٱلسَّمَآءِ مَآءٗ فَأَخۡرَجَ بِهِۦ مِنَ ٱلثَّمَرَٰتِ رِزۡقٗا لَّكُمۡۖ فَلَا تَجۡعَلُواْ لِلَّهِ أَندَادٗا وَأَنتُمۡ تَعۡلَمُونَ ٢٢
Degene die de aarde als rustplaats voor jullie gemaakt heeft, en de hemel tot een gewelf, en regen van de hemel naar beneden stuurt waarmee Hij vruchten voor jullie als levensonderhoud heeft voortgebracht. Ken daarom geen deelgenoten toe aan Allah terwijl jullie (het) weten.
Allathee jaAAala lakumu alarda firashan wassamaa binaan waanzala mina assamai maan faakhraja bihi mina aththamarati rizqan lakum fala tajAAaloe lillahi andadan waantum taAAlamoen
وَإِن كُنتُمۡ فِي رَيۡبٖ مِّمَّا نَزَّلۡنَا عَلَىٰ عَبۡدِنَا فَأۡتُواْ بِسُورَةٖ مِّن مِّثۡلِهِۦ وَٱدۡعُواْ شُهَدَآءَكُم مِّن دُونِ ٱللَّهِ إِن كُنتُمۡ صَٰدِقِينَ ٢٣
En als jullie twijfelen over hetgeen Wij hebben neergezonden aan Onze dienaar, maak dan een soerah van gelijk niveau en roep je getuigen op naast Allah, als jullie waarachtigen zijn.
Wain kuntum fee raybin mimma nazzalna AAala AAabdina fatoe bisoeratin min mithlihi wadAAoe shuhadaakum min doeni Allahi in kuntum sadiqeen
فَإِن لَّمۡ تَفۡعَلُواْ وَلَن تَفۡعَلُواْ فَٱتَّقُواْ ٱلنَّارَ ٱلَّتِي وَقُودُهَا ٱلنَّاسُ وَٱلۡحِجَارَةُۖ أُعِدَّتۡ لِلۡكَٰفِرِينَ ٢٤
Maar als jullie dat niet kunnen doen, en jullie kunnen dat nooit doen, vrees dan het vuur dat door een brandstof gevoed wordt dat uit mensen en stenen bestaat, zij is gereed gemaakt voor de ongelovigen.
Fain lam tafAAaloe walan tafAAaloe fattaqoe annara allatee waqoeduha annasu walhijaratu oAAiddat lilkafireen
وَبَشِّرِ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ أَنَّ لَهُمۡ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُۖ كُلَّمَا رُزِقُواْ مِنۡهَا مِن ثَمَرَةٖ رِّزۡقٗا قَالُواْ هَٰذَا ٱلَّذِي رُزِقۡنَا مِن قَبۡلُۖ وَأُتُواْ بِهِۦ مُتَشَٰبِهٗاۖ وَلَهُمۡ فِيهَآ أَزۡوَٰجٞ مُّطَهَّرَةٞۖ وَهُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٢٥
En breng degenen die geloven en goede daden verrichten (en hierin standvastig blijven) blijde tijding , dat er voor hen tuinen zullen zijn waar rivieren onderdoor stromen. Elke keer als zij daarvan fruit ontvangen zullen zij zeggen: “Zie hier hetgeen ons reeds voorheen werd gegeven” en het soortgelijke zal hun gegeven worden en zij zullen daar reine echtgenoten hebben en zij zullen daar voor altijd verblijven.
Wabashshiri allatheena amanoe waAAamiloe assalihati anna lahum jannatin tajree min tahtiha alanharu kullama ruziqoe minha min thamaratin rizqan qaloe hatha allathee ruziqna min qablu waotoe bihi mutashabihan walahum feeha azwajun mutahharatun wahum feeha khalidoen
۞ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَسۡتَحۡيِۦٓ أَن يَضۡرِبَ مَثَلٗا مَّا بَعُوضَةٗ فَمَا فَوۡقَهَاۚ فَأَمَّا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ فَيَعۡلَمُونَ أَنَّهُ ٱلۡحَقُّ مِن رَّبِّهِمۡۖ وَأَمَّا ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ فَيَقُولُونَ مَاذَآ أَرَادَ ٱللَّهُ بِهَٰذَا مَثَلٗاۘ يُضِلُّ بِهِۦ كَثِيرٗا وَيَهۡدِي بِهِۦ كَثِيرٗاۚ وَمَا يُضِلُّ بِهِۦٓ إِلَّا ٱلۡفَٰسِقِينَ ٢٦
Waarlijk, Allah acht het niet beneden zich, om een mug tot gelijkenis te stellen, of iets dat nietiger is dan dat. En voor degenen die geloven is dit de Waarheid van hun Heer, maar de ongelovigen zeggen: “Wat bedoelde Allah met deze parabel?” Hij (Allah) liet er velen mee dwalen en Hij leidt er velen mee. En Hij misleidt slechts degenen die niet aan Zijn gehoorzaamheid beantwoorden.
Inna Allaha la yastahyee an yadriba mathalan ma baAAoedatan fama fawqaha faamma allatheena amanoe fayaAAlamoena annahu alhaqqu min rabbihim waamma allatheena kafaroe fayaqoeloena matha arada Allahu bihatha mathalan yudillu bihi katheeran wayahdee bihi katheeran wama yudillu bihi illa alfasiqeen
ٱلَّذِينَ يَنقُضُونَ عَهۡدَ ٱللَّهِ مِنۢ بَعۡدِ مِيثَٰقِهِۦ وَيَقۡطَعُونَ مَآ أَمَرَ ٱللَّهُ بِهِۦٓ أَن يُوصَلَ وَيُفۡسِدُونَ فِي ٱلۡأَرۡضِۚ أُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡخَٰسِرُونَ ٢٧
Degenen die het Verbond met Allah verbreken nadat zij het zijn aangegaan en losbreken wat Allah bevolen heeft te verbinden en misdaden plegen op aarde: zij zijn het die de verliezers zijn.
Allatheena yanqudoena AAahda Allahi min baAAdi meethaqihi wayaqtaAAoena ma amara Allahu bihi an yoesala wayufsidoena fee alardi olaika humu alkhasiroen
كَيۡفَ تَكۡفُرُونَ بِٱللَّهِ وَكُنتُمۡ أَمۡوَٰتٗا فَأَحۡيَٰكُمۡۖ ثُمَّ يُمِيتُكُمۡ ثُمَّ يُحۡيِيكُمۡ ثُمَّ إِلَيۡهِ تُرۡجَعُونَ ٢٨
Hoe kunnen jullie niet in Allah geloven! Terwijl jullie levenloos waren en Hij jullie het leven heeft gegeven. Toen gaf Hij jullie de dood en opnieuw bracht Hij jullie tot leven en tot Hem zullen jullie terugkeren.
Kayfa takfuroena billahi wakuntum amwatan faahyakum thumma yumeetukum thumma yuhyeekum thumma ilayhi turjaAAoen
هُوَ ٱلَّذِي خَلَقَ لَكُم مَّا فِي ٱلۡأَرۡضِ جَمِيعٗا ثُمَّ ٱسۡتَوَىٰٓ إِلَى ٱلسَّمَآءِ فَسَوَّىٰهُنَّ سَبۡعَ سَمَٰوَٰتٖۚ وَهُوَ بِكُلِّ شَيۡءٍ عَلِيمٞ ٢٩
Hij is Degene Die voor jullie alles geschapen heeft wat op aarde is. Toen reikte Hij over de hemel en maakte zeven hemelen en Hij is de Kenner van alle zaken.
Huwa allathee khalaqa lakum ma fee alardi jameeAAan thumma istawa ila assamai fasawwahunna sabAAa samawatin wahuwa bikulli shayin AAaleem
وَإِذۡ قَالَ رَبُّكَ لِلۡمَلَٰٓئِكَةِ إِنِّي جَاعِلٞ فِي ٱلۡأَرۡضِ خَلِيفَةٗۖ قَالُوٓاْ أَتَجۡعَلُ فِيهَا مَن يُفۡسِدُ فِيهَا وَيَسۡفِكُ ٱلدِّمَآءَ وَنَحۡنُ نُسَبِّحُ بِحَمۡدِكَ وَنُقَدِّسُ لَكَۖ قَالَ إِنِّيٓ أَعۡلَمُ مَا لَا تَعۡلَمُونَ ٣٠
En (gedenk) toen jullie Heer tegen de Engelen zei: “Ik zal op de aarde een gevolmachtigde aanstellen” Zij zeiden: “Zult U daar iemand plaatsen die misdaden pleegt en bloed laat vloeien terwijl wij U verheerlijken, U prijzen en danken en U heiligen?” Hij (Allah) zei: “Voorwaar, Ik weet wat jullie niet weten.”
Waith qala rabbuka lilmalaikati innee jaAAilun fee alardi khaleefatan qaloe atajAAalu feeha man yufsidu feeha wayasfiku addimaa wanahnu nusabbihu bihamdika wanuqaddisu laka qala innee aAAlamu ma la taAAlamoen
وَعَلَّمَ ءَادَمَ ٱلۡأَسۡمَآءَ كُلَّهَا ثُمَّ عَرَضَهُمۡ عَلَى ٱلۡمَلَٰٓئِكَةِ فَقَالَ أَنۢبِـُٔونِي بِأَسۡمَآءِ هَٰٓؤُلَآءِ إِن كُنتُمۡ صَٰدِقِينَ ٣١
En Hij onderwees Adam de namen van alle dingen en toen liet Hij deze aan de Engelen zien en zei: “Vertel Mij hiervan de namen, als jullie waarachtig zijn.”
WaAAallama adama alasmaa kullaha thumma AAaradahum AAala almalaikati faqala anbioenee biasmai haolai in kuntum sadiqeen
قَالُواْ سُبۡحَٰنَكَ لَا عِلۡمَ لَنَآ إِلَّا مَا عَلَّمۡتَنَآۖ إِنَّكَ أَنتَ ٱلۡعَلِيمُ ٱلۡحَكِيمُ ٣٢
Zij (de Engelen) zeiden: “Verheerlijkt bent U, wij hebben geen kennis behalve van wat U ons onderwezen heeft. U bent de Alwetende, de Alwijze.”
Qaloe subhanaka la AAilma lana illa ma AAallamtana innaka anta alAAaleemu alhakeem
قَالَ يَٰٓـَٔادَمُ أَنۢبِئۡهُم بِأَسۡمَآئِهِمۡۖ فَلَمَّآ أَنۢبَأَهُم بِأَسۡمَآئِهِمۡ قَالَ أَلَمۡ أَقُل لَّكُمۡ إِنِّيٓ أَعۡلَمُ غَيۡبَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ وَأَعۡلَمُ مَا تُبۡدُونَ وَمَا كُنتُمۡ تَكۡتُمُونَ ٣٣
Hij zei: “O Adam, vertel hun de namen.” En toen hij hun de namen had verteld, zei Hij: “Heb Ik je niet verteld dat Ik het onzichtbare in de hemelen en op de aarde ken en dat Ik weet wat je onthult en wat je verborgen houdt?”
Qala ya-adamu anbihum biasmaihim falamma anbaahum biasmaihim qala alam aqul lakum innee aAAlamu ghayba assamawati walardi waaAAlamu ma tubdoena wama kuntum taktumoen
وَإِذۡ قُلۡنَا لِلۡمَلَٰٓئِكَةِ ٱسۡجُدُواْ لِأٓدَمَ فَسَجَدُوٓاْ إِلَّآ إِبۡلِيسَ أَبَىٰ وَٱسۡتَكۡبَرَ وَكَانَ مِنَ ٱلۡكَٰفِرِينَ ٣٤
En toen Wij tot de Engelen zeiden: “Buig (jullie hoofden) voor Adam, (uit respect)!” Toen bogen zij allen (het hoofd), behalve Iblies (Satan). Hij weigerde hoogmoedig (omdat hij zichzelf beter vond dan Adam) en werd zo één van de (ongehoorzame) ongelovigen.
Waith qulna lilmalaikati osjudoe liadama fasajadoe illa ibleesa aba wastakbara wakana mina alkafireen
وَقُلۡنَا يَٰٓـَٔادَمُ ٱسۡكُنۡ أَنتَ وَزَوۡجُكَ ٱلۡجَنَّةَ وَكُلَا مِنۡهَا رَغَدًا حَيۡثُ شِئۡتُمَا وَلَا تَقۡرَبَا هَٰذِهِ ٱلشَّجَرَةَ فَتَكُونَا مِنَ ٱلظَّٰلِمِينَ ٣٥
En Wij zeiden: “O Adam! Verblijf tezamen met jouw vrouw in het Paradijs en eet beiden vrijelijk met plezier en genot van de zaken daarvan zoals jullie willen, maar kom niet bij deze boom of jullie beiden zullen tot de zondaren behoren.”
Waqulna ya-adamu oskun anta wazawjuka aljannata wakula minha raghadan haythu shituma wala taqraba hathihi ashshajarata fatakoena mina aththalimeen
فَأَزَلَّهُمَا ٱلشَّيۡطَٰنُ عَنۡهَا فَأَخۡرَجَهُمَا مِمَّا كَانَا فِيهِۖ وَقُلۡنَا ٱهۡبِطُواْ بَعۡضُكُمۡ لِبَعۡضٍ عَدُوّٞۖ وَلَكُمۡ فِي ٱلۡأَرۡضِ مُسۡتَقَرّٞ وَمَتَٰعٌ إِلَىٰ حِينٖ ٣٦
Toen misleidde de Satan hen met die boom, hij deed hen weggaan van de plaats (het Paradijs) waar zij zich bevonden. Wij zeiden: “Daalt af, een deel van jullie zal een vijand voor de ander zijn. Op de aarde zal een verblijfplaats en genieting voor jullie zijn, tot een bepaald tijdstip (de dood).”
Faazallahuma ashshaytanu AAanha faakhrajahuma mimma kana feehi waqulna ihbitoe baAAdukum libaAAdin AAaduwwun walakum fee alardi mustaqarrun wamataAAun ila heen
فَتَلَقَّىٰٓ ءَادَمُ مِن رَّبِّهِۦ كَلِمَٰتٖ فَتَابَ عَلَيۡهِۚ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلتَّوَّابُ ٱلرَّحِيمُ ٣٧
Toen ontving Adam van zijn Heer (nieuwe) woorden. Daarop aanvaardde Hij zijn berouw. Waarlijk, Hij is Degene Die vergeeft, de Genadevolle.
Fatalaqqa adamu min rabbihi kalimatin fataba AAalayhi innahu huwa attawwabu arraheem
قُلۡنَا ٱهۡبِطُواْ مِنۡهَا جَمِيعٗاۖ فَإِمَّا يَأۡتِيَنَّكُم مِّنِّي هُدٗى فَمَن تَبِعَ هُدَايَ فَلَا خَوۡفٌ عَلَيۡهِمۡ وَلَا هُمۡ يَحۡزَنُونَ ٣٨
Wij zeiden: “ Daalt allen af uit haar (het Paradijs), en als er van Mij leiding tot jullie komt; wie dan Mijn leiding volgen; zij zullen niet vrezen, noch zullen zij bedroefd zijn.
Qulna ihbitoe minha jameeAAan faimma yatiyannakum minnee hudan faman tabiAAa hudaya fala khawfun AAalayhim wala hum yahzanoen
وَٱلَّذِينَ كَفَرُواْ وَكَذَّبُواْ بِـَٔايَٰتِنَآ أُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلنَّارِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٣٩
Maar degenen die niet geloven en onze Tekenen loochenen, dat zijn de bewoners van het Vuur, zij zullen daarin voor altijd verblijven.
Wallatheena kafaroe wakaththaboe biayatina olaika ashabu annari hum feeha khalidoen
يَٰبَنِيٓ إِسۡرَٰٓءِيلَ ٱذۡكُرُواْ نِعۡمَتِيَ ٱلَّتِيٓ أَنۡعَمۡتُ عَلَيۡكُمۡ وَأَوۡفُواْ بِعَهۡدِيٓ أُوفِ بِعَهۡدِكُمۡ وَإِيَّٰيَ فَٱرۡهَبُونِ ٤٠
O Kinderen van Israël! Gedenk Mijn gunst die Ik jullie gegeven hebt, en vervul (jullie verplichtingen) voor Mijn verbond (met jullie) dan houdt Ik Mij aan het verbond met jullie. En vrees geen ander dan Mij.
Ya-banee israeela othkuroe niAAmatiya allatee anAAamtu AAalaykum waawfoe biAAahdee oefi biAAahdikum waiyyaya farhaboen
وَءَامِنُواْ بِمَآ أَنزَلۡتُ مُصَدِّقٗا لِّمَا مَعَكُمۡ وَلَا تَكُونُوٓاْ أَوَّلَ كَافِرِۭ بِهِۦۖ وَلَا تَشۡتَرُواْ بِـَٔايَٰتِي ثَمَنٗا قَلِيلٗا وَإِيَّٰيَ فَٱتَّقُونِ ٤١
En geloof in wat Ik heb neergezonden (de Koran), als bevestiging wat bij jullie "is (de Thora en de Psalmen) en wees niet de eersten die dat niet geloven en verruil Mijn verzen niet voor een klein bedrag en vrees daarom alleen Mij.
Waaminoe bima anzaltu musaddiqan lima maAAakum wala takoenoe awwala kafirin bihi wala tashtaroe biayatee thamanan qaleelan waiyyaya fattaqoen
وَلَا تَلۡبِسُواْ ٱلۡحَقَّ بِٱلۡبَٰطِلِ وَتَكۡتُمُواْ ٱلۡحَقَّ وَأَنتُمۡ تَعۡلَمُونَ ٤٢
En vermeng de Waarheid niet met de leugen, en verberg de Waarheid ook niet terwijl jullie (de Waarheid) kennen.
Wala talbisoe alhaqqa bilbatili wataktumoe alhaqqa waantum taAAlamoen
وَأَقِيمُواْ ٱلصَّلَوٰةَ وَءَاتُواْ ٱلزَّكَوٰةَ وَٱرۡكَعُواْ مَعَ ٱلرَّٰكِعِينَ ٤٣
En verricht de gebeden correct en geef zakaat en buig met degenen die buigen.
Waaqeemoe assalata waatoe azzakata warkaAAoe maAAa arrakiAAeen
۞ أَتَأۡمُرُونَ ٱلنَّاسَ بِٱلۡبِرِّ وَتَنسَوۡنَ أَنفُسَكُمۡ وَأَنتُمۡ تَتۡلُونَ ٱلۡكِتَٰبَۚ أَفَلَا تَعۡقِلُونَ ٤٤
Jullie gebieden vroomheid en rechtvaardigheid en dat alle daden voor de gehoorzaamheid van Allah zijn van de mensen maar jullie vergeten het zelf, terwijl jullie de Geschriften reciteren. Hebben jullie dan geen verstand?
Atamuroena annasa bilbirri watansawna anfusakum waantum tatloena alkitaba afala taAAqiloen
وَٱسۡتَعِينُواْ بِٱلصَّبۡرِ وَٱلصَّلَوٰةِۚ وَإِنَّهَا لَكَبِيرَةٌ إِلَّا عَلَى ٱلۡخَٰشِعِينَ ٤٥
En vraag hulp en (het vermogen om) geduld (op te brengen in en om) het gebed (door de lusten en verlangens van het ego te bedwingen). En voorzeker, dit (gebed) is bijzonder zwaar en moeilijk behalve voor de khaashi’ien (de onderdanigen; de ware gelovigen in Allah: zij die Allah onvoorwaardelijk gehoorzamen, zij die Allah’s bestraffing vrezen, zij die in Allah’s beloften en waarschuwingen geloven aangaande het Paradijs en de Hel).
WastaAAeenoe bissabri wassalati wainnaha lakabeeratun illa AAala alkhashiAAeen
ٱلَّذِينَ يَظُنُّونَ أَنَّهُم مُّلَٰقُواْ رَبِّهِمۡ وَأَنَّهُمۡ إِلَيۡهِ رَٰجِعُونَ ٤٦
(Zij zijn degenen) die er zeker van zijn dat zij hun Heer zullen ontmoeten en dat zij tot Hem zullen terugkeren.
Allatheena yathunnoena annahum mulaqoe rabbihim waannahum ilayhi rajiAAoen
يَٰبَنِيٓ إِسۡرَٰٓءِيلَ ٱذۡكُرُواْ نِعۡمَتِيَ ٱلَّتِيٓ أَنۡعَمۡتُ عَلَيۡكُمۡ وَأَنِّي فَضَّلۡتُكُمۡ عَلَى ٱلۡعَٰلَمِينَ ٤٧
O Kinderen van Israël! Gedenk Mijn gunst die Ik jullie heb geschonken en dat Ik u boven de volkeren verhief.
Ya-banee israeela othkuroe niAAmatiya allatee anAAamtu AAalaykum waannee faddaltukum AAala alAAalameen
وَٱتَّقُواْ يَوۡمٗا لَّا تَجۡزِي نَفۡسٌ عَن نَّفۡسٖ شَيۡـٔٗا وَلَا يُقۡبَلُ مِنۡهَا شَفَٰعَةٞ وَلَا يُؤۡخَذُ مِنۡهَا عَدۡلٞ وَلَا هُمۡ يُنصَرُونَ ٤٨
En vrees de Dag (van het Oordeel) waarop geen ziel een andere ziel ergens in kan bijstaan, en er geen voorspraak van haar aanvaard wordt en er geen losprijs van haar aangenomen wordt en zij niet geholpen worden.
Wattaqoe yawman la tajzee nafsun AAan nafsin shayan wala yuqbalu minha shafaAAatun wala yukhathu minha AAadlun wala hum yunsaroen
وَإِذۡ نَجَّيۡنَٰكُم مِّنۡ ءَالِ فِرۡعَوۡنَ يَسُومُونَكُمۡ سُوٓءَ ٱلۡعَذَابِ يُذَبِّحُونَ أَبۡنَآءَكُمۡ وَيَسۡتَحۡيُونَ نِسَآءَكُمۡۚ وَفِي ذَٰلِكُم بَلَآءٞ مِّن رَّبِّكُمۡ عَظِيمٞ ٤٩
En (gedenkt) toen Wij jullie van de mensen van de Farao redden, die jullie vreselijke martelingen oplegden, jullie zonen vermoorden en jullie vrouwen spaarden, verlosten, en daarin was een machtig vonnis van jullie Heer.
Waith najjaynakum min ali firAAawna yasoemoenakum soea alAAathabi yuthabbihoena abnaakum wayastahyoena nisaakum wafee thalikum balaon min rabbikum AAatheem
وَإِذۡ فَرَقۡنَا بِكُمُ ٱلۡبَحۡرَ فَأَنجَيۡنَٰكُمۡ وَأَغۡرَقۡنَآ ءَالَ فِرۡعَوۡنَ وَأَنتُمۡ تَنظُرُونَ ٥٠
En (gedenk) toen Wij de zee voor jullie splitsten waarop Wij jullie redden en de mensen van de Farao lieten verdrinken, terwijl jullie toekeken.
Waith faraqna bikumu albahra faanjaynakum waaghraqna ala firAAawna waantum tanthuroen
وَإِذۡ وَٰعَدۡنَا مُوسَىٰٓ أَرۡبَعِينَ لَيۡلَةٗ ثُمَّ ٱتَّخَذۡتُمُ ٱلۡعِجۡلَ مِنۢ بَعۡدِهِۦ وَأَنتُمۡ ظَٰلِمُونَ ٥١
En (gedenk) toen Wij voor Mozes veertig nachten hadden aangewezen en dat jullie een kalf namen (ter aanbidding) en jullie zalimoen (overtreders) werden.
Waith waAAadna moesa arbaAAeena laylatan thumma ittakhathtumu alAAijla min baAAdihi waantum thalimoen
ثُمَّ عَفَوۡنَا عَنكُم مِّنۢ بَعۡدِ ذَٰلِكَ لَعَلَّكُمۡ تَشۡكُرُونَ ٥٢
Daarna vergaven Wij jullie zodat jullie dankbaar zouden zijn.
Thumma AAafawna AAankum min baAAdi thalika laAAallakum tashkuroen
وَإِذۡ ءَاتَيۡنَا مُوسَى ٱلۡكِتَٰبَ وَٱلۡفُرۡقَانَ لَعَلَّكُمۡ تَهۡتَدُونَ ٥٣
En (gedenk) toen Wij Mozes de geschriften gaven en het onderscheid (tussen goed en kwaad) zodat jullie rechtgeleid zijn.
Waith atayna moesa alkitaba walfurqana laAAallakum tahtadoen
وَإِذۡ قَالَ مُوسَىٰ لِقَوۡمِهِۦ يَٰقَوۡمِ إِنَّكُمۡ ظَلَمۡتُمۡ أَنفُسَكُم بِٱتِّخَاذِكُمُ ٱلۡعِجۡلَ فَتُوبُوٓاْ إِلَىٰ بَارِئِكُمۡ فَٱقۡتُلُوٓاْ أَنفُسَكُمۡ ذَٰلِكُمۡ خَيۡرٞ لَّكُمۡ عِندَ بَارِئِكُمۡ فَتَابَ عَلَيۡكُمۡۚ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلتَّوَّابُ ٱلرَّحِيمُ ٥٤
En (gedenk) toen Mozes tegen zijn mensen zei: “O mijn mensen! Waarlijk, jullie hebben jezelf onrecht aangedaan door het kalf te aanbidden. Keren jullie je dus in berouw tot jullie Schepper en doodt uw eigen ik, dat is het beste voor u in het oog van uw Schepper.” Toen accepteerde Hij jullie berouw. Waarlijk, Hij is de Meest Berouwaanvaardende, de Genadevolle.
Waith qala moesa liqawmihi ya-qawmi innakum thalamtum anfusakum bittikhathikumu alAAijla fatoeboe ila bariikum faqtuloe anfusakum thalikum khayrun lakum AAinda bariikum fataba AAalaykum innahu huwa attawwabu arraheem
وَإِذۡ قُلۡتُمۡ يَٰمُوسَىٰ لَن نُّؤۡمِنَ لَكَ حَتَّىٰ نَرَى ٱللَّهَ جَهۡرَةٗ فَأَخَذَتۡكُمُ ٱلصَّٰعِقَةُ وَأَنتُمۡ تَنظُرُونَ ٥٥
En (gedenk) toen jullie zeiden: “O Mozes! Wij zullen je nooit geloven totdat wij Allah duidelijk zien.” Waarop de bliksem jullie greep terwijl jullie toekeken.
Waith qultum ya-moesa lan numina laka hatta nara Allaha jahratan faakhathatkumu assaAAiqatu waantum tanthuroen
ثُمَّ بَعَثۡنَٰكُم مِّنۢ بَعۡدِ مَوۡتِكُمۡ لَعَلَّكُمۡ تَشۡكُرُونَ ٥٦
En Wij deden jullie na jullie dood opstaan, zodat jullie dankbaar zouden zijn.
Thumma baAAathnakum min baAAdi mawtikum laAAallakum tashkuroen
وَظَلَّلۡنَا عَلَيۡكُمُ ٱلۡغَمَامَ وَأَنزَلۡنَا عَلَيۡكُمُ ٱلۡمَنَّ وَٱلسَّلۡوَىٰۖ كُلُواْ مِن طَيِّبَٰتِ مَا رَزَقۡنَٰكُمۡۚ وَمَا ظَلَمُونَا وَلَٰكِن كَانُوٓاْ أَنفُسَهُمۡ يَظۡلِمُونَ ٥٧
En Wij zorgden ervoor dat de wolken schaduw voor je wierpen en de manna (honingzoet voedsel) en de kwartels naar beneden stuurden (zeggende): “Eet van de goede en wettige zaken, waarin Wij jullie hebben voorzien.” En zij hebben Ons geen onrecht aangedaan, maar zij hebben zichzelf onrecht aangedaan.
Wathallalna AAalaykumu alghamama waanzalna AAalaykumu almanna wassalwa kuloe min tayyibati ma razaqnakum wama thalamoena walakin kanoe anfusahum yathlimoen
وَإِذۡ قُلۡنَا ٱدۡخُلُواْ هَٰذِهِ ٱلۡقَرۡيَةَ فَكُلُواْ مِنۡهَا حَيۡثُ شِئۡتُمۡ رَغَدٗا وَٱدۡخُلُواْ ٱلۡبَابَ سُجَّدٗا وَقُولُواْ حِطَّةٞ نَّغۡفِرۡ لَكُمۡ خَطَٰيَٰكُمۡۚ وَسَنَزِيدُ ٱلۡمُحۡسِنِينَ ٥٨
En (gedenk) toen Wij zeiden: “Ga deze stad binnen en eet daar met plezier en genot zoveel als jullie willen en ga de poort binnen en kniel neer en zeg: “Vergeef ons” en Wij zullen jullie jullie zonden vergeven en zullen de (beloning) voor de weldoeners doen toenemen.”
Waith qulna odkhuloe hathihi alqaryata fakuloe minha haythu shitum raghadan wadkhuloe albaba sujjadan waqoeloe hittatun naghfir lakum khatayakum wasanazeedu almuhsineen
فَبَدَّلَ ٱلَّذِينَ ظَلَمُواْ قَوۡلًا غَيۡرَ ٱلَّذِي قِيلَ لَهُمۡ فَأَنزَلۡنَا عَلَى ٱلَّذِينَ ظَلَمُواْ رِجۡزٗا مِّنَ ٱلسَّمَآءِ بِمَا كَانُواْ يَفۡسُقُونَ ٥٩
Maar degenen die gezondigd hadden veranderden de woorden die ze" tegen elkaar spraken, zodat Wij een bestraffing op de zondaren van de hemel toezonden, want zij rebelleerden tegen Allahs gehoorzaamheid.
Fabaddala allatheena thalamoe qawlan ghayra allathee qeela lahum faanzalna AAala allatheena thalamoe rijzan mina assamai bima kanoe yafsuqoen
۞ وَإِذِ ٱسۡتَسۡقَىٰ مُوسَىٰ لِقَوۡمِهِۦ فَقُلۡنَا ٱضۡرِب بِّعَصَاكَ ٱلۡحَجَرَۖ فَٱنفَجَرَتۡ مِنۡهُ ٱثۡنَتَا عَشۡرَةَ عَيۡنٗاۖ قَدۡ عَلِمَ كُلُّ أُنَاسٖ مَّشۡرَبَهُمۡۖ كُلُواْ وَٱشۡرَبُواْ مِن رِّزۡقِ ٱللَّهِ وَلَا تَعۡثَوۡاْ فِي ٱلۡأَرۡضِ مُفۡسِدِينَ ٦٠
En (gedenk) toen Mozes water voor zijn mensen vroeg, waarop Wij zeiden : “Sla met je staf op de rots.” Toen ontsprongen daaruit twaalf bronnen. Iedere (groep) mensen kende zijn plaats bij het water. Eet en drink van wat Allah jullie heeft voorzien en handel niet verdorven door ellende op de aarde te veroorzaken.
Waithi istasqa moesa liqawmihi faqulna idrib biAAasaka alhajara fanfajarat minhu ithnata AAashrata AAaynan qad AAalima kullu onasin mashrabahum kuloe washraboe min rizqi Allahi wala taAAthaw fee alardi mufsideen
وَإِذۡ قُلۡتُمۡ يَٰمُوسَىٰ لَن نَّصۡبِرَ عَلَىٰ طَعَامٖ وَٰحِدٖ فَٱدۡعُ لَنَا رَبَّكَ يُخۡرِجۡ لَنَا مِمَّا تُنۢبِتُ ٱلۡأَرۡضُ مِنۢ بَقۡلِهَا وَقِثَّآئِهَا وَفُومِهَا وَعَدَسِهَا وَبَصَلِهَاۖ قَالَ أَتَسۡتَبۡدِلُونَ ٱلَّذِي هُوَ أَدۡنَىٰ بِٱلَّذِي هُوَ خَيۡرٌۚ ٱهۡبِطُواْ مِصۡرٗا فَإِنَّ لَكُم مَّا سَأَلۡتُمۡۗ وَضُرِبَتۡ عَلَيۡهِمُ ٱلذِّلَّةُ وَٱلۡمَسۡكَنَةُ وَبَآءُو بِغَضَبٖ مِّنَ ٱللَّهِۚ ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمۡ كَانُواْ يَكۡفُرُونَ بِـَٔايَٰتِ ٱللَّهِ وَيَقۡتُلُونَ ٱلنَّبِيِّـۧنَ بِغَيۡرِ ٱلۡحَقِّۚ ذَٰلِكَ بِمَا عَصَواْ وَّكَانُواْ يَعۡتَدُونَ ٦١
En (gedenk) toen jullie zeiden: “O Mozes! Wij verdragen het niet om maar één soort voedsel te eten. Vraag je Heer daarom om voor ons voort te brengen wat op de aarde groeit: haar kruiden, komkommers, graan, knoflook, linzen en uien.” Hij zei: “Willen jullie dat wat beter voor jullie is, inruilen voor wat minder is? Ga naar wat voor stad dan ook en jullie zullen vinden wat jullie willen!” En zij waren met vernedering en ellende bedekt en zij riepen de toorn van Allah over zich af omdat zij niet in de Tekenen geloofden, de profeten valselijk omgebracht hadden, omdat zij ongehoorzaam waren en de grenzen overschreden hadden.
Waith qultum ya-moesa lan nasbira AAala taAAamin wahidin fadAAu lana rabbaka yukhrij lana mimma tunbitu alardu min baqliha waqiththaiha wafoemiha waAAadasiha wabasaliha qala atastabdiloena allathee huwa adna billathee huwa khayrun ihbitoe misran fainna lakum ma saaltum waduribat AAalayhimu aththillatu walmaskanatu wabaoe bighadabin mina Allahi thalika biannahum kanoe yakfuroena biayati Allahi wayaqtuloena annabiyyeena bighayri alhaqqi thalika bima AAasaw wakanoe yaAAtadoen
إِنَّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَٱلَّذِينَ هَادُواْ وَٱلنَّصَٰرَىٰ وَٱلصَّٰبِـِٔينَ مَنۡ ءَامَنَ بِٱللَّهِ وَٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِ وَعَمِلَ صَٰلِحٗا فَلَهُمۡ أَجۡرُهُمۡ عِندَ رَبِّهِمۡ وَلَا خَوۡفٌ عَلَيۡهِمۡ وَلَا هُمۡ يَحۡزَنُونَ ٦٢
Waarlijk! Degenen die geloven en die van de Joden en Christenen en Sabijnen zijn, die in Allah en de Laatste Dag geloven en goede daden verrichten, zullen hun beloning bij hun Heer hebben, bij hen zal geen angst zijn, noch zullen zij bedroefd zijn.
Inna allatheena amanoe wallatheena hadoe wannasara wassabieena man amana biAllahi walyawmi alakhiri waAAamila salihan falahum ajruhum AAinda rabbihim wala khawfun AAalayhim wala hum yahzanoen
وَإِذۡ أَخَذۡنَا مِيثَٰقَكُمۡ وَرَفَعۡنَا فَوۡقَكُمُ ٱلطُّورَ خُذُواْ مَآ ءَاتَيۡنَٰكُم بِقُوَّةٖ وَٱذۡكُرُواْ مَا فِيهِ لَعَلَّكُمۡ تَتَّقُونَ ٦٣
En ( gedenk, o Kinderen van Israël) toen Wij het verbond aangingen en Wij boven jullie de berg Thoer lieten oprijzen (zeggende): “Houdt jullie vast aan wat Wij jullie gegeven hebben en gedenk wat er in staat. Hopelijk zullen jullie Allah vrezen.
Waith akhathna meethaqakum warafaAAna fawqakumu attoera khuthoe ma ataynakum biquwwatin wathkuroe ma feehi laAAallakum tattaqoen
ثُمَّ تَوَلَّيۡتُم مِّنۢ بَعۡدِ ذَٰلِكَۖ فَلَوۡلَا فَضۡلُ ٱللَّهِ عَلَيۡكُمۡ وَرَحۡمَتُهُۥ لَكُنتُم مِّنَ ٱلۡخَٰسِرِينَ ٦٤
Hierna keerden jullie je ervan af. Als Allah jullie geen gunst en genade verleend had, dan zouden jullie zeker onder de verliezers zijn.
Thumma tawallaytum min baAAdi thalika falawla fadlu Allahi AAalaykum warahmatuhu lakuntum mina alkhasireen
وَلَقَدۡ عَلِمۡتُمُ ٱلَّذِينَ ٱعۡتَدَوۡاْ مِنكُمۡ فِي ٱلسَّبۡتِ فَقُلۡنَا لَهُمۡ كُونُواْ قِرَدَةً خَٰسِـِٔينَ ٦٥
En waarlijk, jullie kenden degenen onder jullie die de regels van de Sabbath (de zaterdag) overtraden. Wij zeiden tegen hen: “Weest verachte apen.”
Walaqad AAalimtumu allatheena iAAtadaw minkum fee assabti faqulna lahum koenoe qiradatan khasieen
فَجَعَلۡنَٰهَا نَكَٰلٗا لِّمَا بَيۡنَ يَدَيۡهَا وَمَا خَلۡفَهَا وَمَوۡعِظَةٗ لِّلۡمُتَّقِينَ ٦٦
Dus hebben we deze bestraffing als een voorbeeld voor henzelf gemaakt en voor de latere generatie een les voor degenen die godvrezend zijn.
FajaAAalnaha nakalan lima bayna yadayha wama khalfaha wamawAAithatan lilmuttaqeen
وَإِذۡ قَالَ مُوسَىٰ لِقَوۡمِهِۦٓ إِنَّ ٱللَّهَ يَأۡمُرُكُمۡ أَن تَذۡبَحُواْ بَقَرَةٗۖ قَالُوٓاْ أَتَتَّخِذُنَا هُزُوٗاۖ قَالَ أَعُوذُ بِٱللَّهِ أَنۡ أَكُونَ مِنَ ٱلۡجَٰهِلِينَ ٦٧
En (gedenk) toen Mozes tegen zijn mensen zei: “Waarlijk Allah heeft jullie bevolen dat jullie een koe moeten slachten.” Zij zeiden: “Steek je de draak met ons?” Hij zei: “Ik neem mijn toevlucht tot Allah om niet tot de onwetenden te behoren.”
Waith qala moesa liqawmihi inna Allaha yamurukum an tathbahoe baqaratan qaloe atattakhithuna huzuwan qala aAAoethu biAllahi an akoena mina aljahileen
قَالُواْ ٱدۡعُ لَنَا رَبَّكَ يُبَيِّن لَّنَا مَا هِيَۚ قَالَ إِنَّهُۥ يَقُولُ إِنَّهَا بَقَرَةٞ لَّا فَارِضٞ وَلَا بِكۡرٌ عَوَانُۢ بَيۡنَ ذَٰلِكَۖ فَٱفۡعَلُواْ مَا تُؤۡمَرُونَ ٦٨
Zij zeiden: “Roep je Heer voor ons aan, zodat Hij ons duidelijk maakt wat voor een koe dit moet zijn.” Hij zei: “Waarlijk, het is een koe die niet te oud of te jong moet zijn, maar van een leeftijd daartussen, doe dus wat jullie bevolen is.”
Qaloe odAAu lana rabbaka yubayyin lana ma hiya qala innahu yaqoelu innaha baqaratun la faridun wala bikrun AAawanun bayna thalika fafAAaloe ma tumaroen
قَالُواْ ٱدۡعُ لَنَا رَبَّكَ يُبَيِّن لَّنَا مَا لَوۡنُهَاۚ قَالَ إِنَّهُۥ يَقُولُ إِنَّهَا بَقَرَةٞ صَفۡرَآءُ فَاقِعٞ لَّوۡنُهَا تَسُرُّ ٱلنَّٰظِرِينَ ٦٩
Zij zeiden: “Roep je Heer voor ons aan om duidelijkheid te krijgen over haar kleur.” Hij zei: “Hij zegt, het is een gele koe, helder van kleur, een plezier voor de eigenaars.”
Qaloe odAAu lana rabbaka yubayyin lana ma lawnuha qala innahu yaqoelu innaha baqaratun safrao faqiAAun lawnuha tasurru annathireen
قَالُواْ ٱدۡعُ لَنَا رَبَّكَ يُبَيِّن لَّنَا مَا هِيَ إِنَّ ٱلۡبَقَرَ تَشَٰبَهَ عَلَيۡنَا وَإِنَّآ إِن شَآءَ ٱللَّهُ لَمُهۡتَدُونَ ٧٠
Zij zeiden: “Roep je Heer voor ons aan om duidelijk te maken wat voor koe het moet zijn. Waarlijk, voor ons zijn alle koeien gelijk. En zeker, als Allah het wil, zullen wij juist worden geleid.”
Qaloe odAAu lana rabbaka yubayyin lana ma hiya inna albaqara tashabaha AAalayna wainna in shaa Allahu lamuhtadoen
قَالَ إِنَّهُۥ يَقُولُ إِنَّهَا بَقَرَةٞ لَّا ذَلُولٞ تُثِيرُ ٱلۡأَرۡضَ وَلَا تَسۡقِي ٱلۡحَرۡثَ مُسَلَّمَةٞ لَّا شِيَةَ فِيهَاۚ قَالُواْ ٱلۡـَٰٔنَ جِئۡتَ بِٱلۡحَقِّۚ فَذَبَحُوهَا وَمَا كَادُواْ يَفۡعَلُونَ ٧١
Hij (Mozes) zei: “Waarlijk, Hij zegt: “Het moet een koe zijn die niet is afgericht om het land te ploegen noch om de akkers te bevloeien, gaaf en vlekkeloos.” Zij zeiden: “Nu heb je de waarheid gesproken.” Dus slachtten zij haar hoewel zij het bijna niet hadden gedaan.
Qala innahu yaqoelu innaha baqaratun la thaloelun tutheeru alarda wala tasqee alhartha musallamatun la shiyata feeha qaloe alana jita bilhaqqi fathabahoeha wama kadoe yafAAaloen
وَإِذۡ قَتَلۡتُمۡ نَفۡسٗا فَٱدَّٰرَٰٔتُمۡ فِيهَاۖ وَٱللَّهُ مُخۡرِجٞ مَّا كُنتُمۡ تَكۡتُمُونَ ٧٢
En (gedenk) toen jullie een mens hadden gedood en je een ander daarvoor beschuldigde. Maar Allah liet alles zien wat jullie verborgen.
Waith qataltum nafsan faddaratum feeha wallahu mukhrijun ma kuntum taktumoen
فَقُلۡنَا ٱضۡرِبُوهُ بِبَعۡضِهَاۚ كَذَٰلِكَ يُحۡيِ ٱللَّهُ ٱلۡمَوۡتَىٰ وَيُرِيكُمۡ ءَايَٰتِهِۦ لَعَلَّكُمۡ تَعۡقِلُونَ ٧٣
Toen zeiden Wij: “ Slaat hem (de dode) met een deel van haar (de koe). Zo brengt Allah de doden tot leven en laat Hij jullie Zijn Tekenen zien, zodat jullie zullen begrijpen.
Faqulna idriboehu bibaAAdiha kathalika yuhyee Allahu almawta wayureekum ayatihi laAAallakum taAAqiloen
ثُمَّ قَسَتۡ قُلُوبُكُم مِّنۢ بَعۡدِ ذَٰلِكَ فَهِيَ كَٱلۡحِجَارَةِ أَوۡ أَشَدُّ قَسۡوَةٗۚ وَإِنَّ مِنَ ٱلۡحِجَارَةِ لَمَا يَتَفَجَّرُ مِنۡهُ ٱلۡأَنۡهَٰرُۚ وَإِنَّ مِنۡهَا لَمَا يَشَّقَّقُ فَيَخۡرُجُ مِنۡهُ ٱلۡمَآءُۚ وَإِنَّ مِنۡهَا لَمَا يَهۡبِطُ مِنۡ خَشۡيَةِ ٱللَّهِۗ وَمَا ٱللَّهُ بِغَٰفِلٍ عَمَّا تَعۡمَلُونَ ٧٤
Daarna verhardden jullie harten zich en werden als steen of nog harder. En waarlijk er zijn stenen waaruit rivieren ontspringen en er zijn (stenen) die splijten zodat het water over hen heen stroomt en waarlijk, er zijn (stenen) die neervallen uit vrees voor Allah. En Allah is niet onachtzaam over jullie daden.
Thumma qasat quloebukum min baAAdi thalika fahiya kalhijarati aw ashaddu qaswatan wainna mina alhijarati lama yatafajjaru minhu alanharu wainna minha lama yashshaqqaqu fayakhruju minhu almao wainna minha lama yahbitu min khashyati Allahi wama Allahu bighafilin AAamma taAAmaloen
۞ أَفَتَطۡمَعُونَ أَن يُؤۡمِنُواْ لَكُمۡ وَقَدۡ كَانَ فَرِيقٞ مِّنۡهُمۡ يَسۡمَعُونَ كَلَٰمَ ٱللَّهِ ثُمَّ يُحَرِّفُونَهُۥ مِنۢ بَعۡدِ مَا عَقَلُوهُ وَهُمۡ يَعۡلَمُونَ ٧٥
Verwachten jullie dat zij in jullie godsdienst zullen geloven, ondanks het feit dat een deel van hen naar het Woord van Allah luisterden en het dan veranderden, nadat zij het hadden begrepen?
AfatatmaAAoena an yuminoe lakum waqad kana fareequn minhum yasmaAAoena kalama Allahi thumma yuharrifoenahu min baAAdi ma AAaqaloehu wahum yaAAlamoen
وَإِذَا لَقُواْ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ قَالُوٓاْ ءَامَنَّا وَإِذَا خَلَا بَعۡضُهُمۡ إِلَىٰ بَعۡضٖ قَالُوٓاْ أَتُحَدِّثُونَهُم بِمَا فَتَحَ ٱللَّهُ عَلَيۡكُمۡ لِيُحَآجُّوكُم بِهِۦ عِندَ رَبِّكُمۡۚ أَفَلَا تَعۡقِلُونَ ٧٦
En als zij degenen die geloven ontmoeten, zeggen zij: “Wij geloven,” maar als zij onder elkaar zijn zeggen zij: “Zullen jullie hen vertellen wat Allah aan jullie geopenbaard heeft zodat zij met jullie zullen discussiëren voor jullie Heer?” Hebben jullie dan geen verstand?
Waitha laqoe allatheena amanoe qaloe amanna waitha khala baAAduhum ila baAAdin qaloe atuhaddithoenahum bima fataha Allahu AAalaykum liyuhajjoekum bihi AAinda rabbikum afala taAAqiloen
أَوَلَا يَعۡلَمُونَ أَنَّ ٱللَّهَ يَعۡلَمُ مَا يُسِرُّونَ وَمَا يُعۡلِنُونَ ٧٧
Weten zij dan niet dat Allah weet wat zij verbergen en in de openbaarheid brengen?
Awala yaAAlamoena anna Allaha yaAAlamu ma yusirroena wama yuAAlinoen
وَمِنۡهُمۡ أُمِّيُّونَ لَا يَعۡلَمُونَ ٱلۡكِتَٰبَ إِلَّآ أَمَانِيَّ وَإِنۡ هُمۡ إِلَّا يَظُنُّونَ ٧٨
En er zijn ongeletterden onder hen, die het Boek niet kennen, maar zij leggen hun hoop in valse verlangens en zij doen niet anders dan gissen.
Waminhum ommiyyoena la yaAAlamoena alkitaba illa amaniyya wain hum illa yathunnoen
فَوَيۡلٞ لِّلَّذِينَ يَكۡتُبُونَ ٱلۡكِتَٰبَ بِأَيۡدِيهِمۡ ثُمَّ يَقُولُونَ هَٰذَا مِنۡ عِندِ ٱللَّهِ لِيَشۡتَرُواْ بِهِۦ ثَمَنٗا قَلِيلٗاۖ فَوَيۡلٞ لَّهُم مِّمَّا كَتَبَتۡ أَيۡدِيهِمۡ وَوَيۡلٞ لَّهُم مِّمَّا يَكۡسِبُونَ ٧٩
Wee dan degenen die het Boek met hun eigen handen schrijven en zeggen: “Dit is van Allah,” om het voor een kleine prijs te verhandelen! Wee dan hen voor wat hun handen geschreven hebben en wee hen voor hetgeen zij verdienen.
Fawaylun lillatheena yaktuboena alkitaba biaydeehim thumma yaqoeloena hatha min AAindi Allahi liyashtaroe bihi thamanan qaleelan fawaylun lahum mimma katabat aydeehim wawaylun lahum mimma yaksiboen
وَقَالُواْ لَن تَمَسَّنَا ٱلنَّارُ إِلَّآ أَيَّامٗا مَّعۡدُودَةٗۚ قُلۡ أَتَّخَذۡتُمۡ عِندَ ٱللَّهِ عَهۡدٗا فَلَن يُخۡلِفَ ٱللَّهُ عَهۡدَهُۥٓۖ أَمۡ تَقُولُونَ عَلَى ٱللَّهِ مَا لَا تَعۡلَمُونَ ٨٠
En zij zeggen: “Het vuur zal ons niet anders raken dan voor een beperkt aantal dagen.” Zeg: “Heb je een verbond met Allah gesloten, zodat Allah Zijn verbond niet zal verbreken? Of zeggen jullie iets over Allah waar je niets van af weet?
Waqaloe lan tamassana annaru illa ayyaman maAAdoedatan qul attakhathtum AAinda Allahi AAahdan falan yukhlifa Allahu AAahdahu am taqoeloena AAala Allahi ma la taAAlamoen
بَلَىٰۚ مَن كَسَبَ سَيِّئَةٗ وَأَحَٰطَتۡ بِهِۦ خَطِيٓـَٔتُهُۥ فَأُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلنَّارِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٨١
Voorzeker! Iedereen die het kwaad verdient en waarvan de zonden hem omringt, zullen de bewoners van het Vuur zijn; zij zullen daarin voor altijd verblijven.
Bala man kasaba sayyiatan waahatat bihi khateeatuhu faolaika ashabu annari hum feeha khalidoen
وَٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ أُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلۡجَنَّةِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٨٢
En degene die geloven en goede daden verrichten, zij zullen de bewoners van het Paradijs zijn, zij zullen daarin voor altijd verblijven.
Wallatheena amanoe waAAamiloe assalihati olaika ashabu aljannati hum feeha khalidoen
وَإِذۡ أَخَذۡنَا مِيثَٰقَ بَنِيٓ إِسۡرَٰٓءِيلَ لَا تَعۡبُدُونَ إِلَّا ٱللَّهَ وَبِٱلۡوَٰلِدَيۡنِ إِحۡسَانٗا وَذِي ٱلۡقُرۡبَىٰ وَٱلۡيَتَٰمَىٰ وَٱلۡمَسَٰكِينِ وَقُولُواْ لِلنَّاسِ حُسۡنٗا وَأَقِيمُواْ ٱلصَّلَوٰةَ وَءَاتُواْ ٱلزَّكَوٰةَ ثُمَّ تَوَلَّيۡتُمۡ إِلَّا قَلِيلٗا مِّنكُمۡ وَأَنتُم مُّعۡرِضُونَ ٨٣
En (gedenk) toen Wij een verbond met de Kinderen van Israël sloten, zeggende: “Aanbid niemand behalve Allah en wees plichtsgetrouw en goed voor de ouders en verwanten en de wezen en de armen die bedelen, en spreek goed tegen de mensen en verricht de gebeden en geef zakaat. Vervolgens onttrokken jullie je er aan, behalve slechts een paar van jullie, terwijl jullie je afwendden.
Waith akhathna meethaqa banee israeela la taAAbudoena illa Allaha wabilwalidayni ihsanan wathee alqurba walyatama walmasakeeni waqoeloe linnasi husnan waaqeemoe assalata waatoe azzakata thumma tawallaytum illa qaleelan minkum waantum muAAridoen
وَإِذۡ أَخَذۡنَا مِيثَٰقَكُمۡ لَا تَسۡفِكُونَ دِمَآءَكُمۡ وَلَا تُخۡرِجُونَ أَنفُسَكُم مِّن دِيَٰرِكُمۡ ثُمَّ أَقۡرَرۡتُمۡ وَأَنتُمۡ تَشۡهَدُونَ ٨٤
En (gedenk) toen Wij het verbond met jullie afsloten (zeggende): “Vergiet elkaars bloed niet en verdrijf elkaar niet uit jullie woonplaatsen. Daarop bevestigden jullie (dat) en jullie getuigden (daarvan).
Waith akhathna meethaqakum la tasfikoena dimaakum wala tukhrijoena anfusakum min diyarikum thumma aqrartum waantum tashhadoen
ثُمَّ أَنتُمۡ هَٰٓؤُلَآءِ تَقۡتُلُونَ أَنفُسَكُمۡ وَتُخۡرِجُونَ فَرِيقٗا مِّنكُم مِّن دِيَٰرِهِمۡ تَظَٰهَرُونَ عَلَيۡهِم بِٱلۡإِثۡمِ وَٱلۡعُدۡوَٰنِ وَإِن يَأۡتُوكُمۡ أُسَٰرَىٰ تُفَٰدُوهُمۡ وَهُوَ مُحَرَّمٌ عَلَيۡكُمۡ إِخۡرَاجُهُمۡۚ أَفَتُؤۡمِنُونَ بِبَعۡضِ ٱلۡكِتَٰبِ وَتَكۡفُرُونَ بِبَعۡضٖۚ فَمَا جَزَآءُ مَن يَفۡعَلُ ذَٰلِكَ مِنكُمۡ إِلَّا خِزۡيٞ فِي ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَاۖ وَيَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ يُرَدُّونَ إِلَىٰٓ أَشَدِّ ٱلۡعَذَابِۗ وَمَا ٱللَّهُ بِغَٰفِلٍ عَمَّا تَعۡمَلُونَ ٨٥
Daarna zijn jullie (Joden) degenen geworden die elkaar doden en een deel van jullie (eigen volk) uit jullie woonplaatsen verdrijven, jullie steunen elkaar in zondigheid en vijandschap. En wanneer zij (andere Joden) als gevangenen tot jullie komen, dan kopen jullie hen vrij, hoewel hun uitbanning voor jullie verboden was. Geloven jullie dan in een deel van de geschriften en verwerpen jullie de rest? Er is geen beloning voor wie van jullie zo handelen, behalve schande in het leven van deze wereld en op de Dag der Opstanding zullen zij de zwaarste bestraffing toegewezen krijgen. En Allah is zich niet onachtzaam van wat jullie doen.
Thumma antum haolai taqtuloena anfusakum watukhrijoena fareeqan minkum min diyarihim tathaharoena AAalayhim bilithmi walAAudwani wain yatoekum osara tufadoehum wahuwa muharramun AAalaykum ikhrajuhum afatuminoena bibaAAdi alkitabi watakfuroena bibaAAdin fama jazao man yafAAalu thalika minkum illa khizyun fee alhayati addunya wayawma alqiyamati yuraddoena ila ashaddi alAAathabi wama Allahu bighafilin AAamma taAAmaloen
أُوْلَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ ٱشۡتَرَوُاْ ٱلۡحَيَوٰةَ ٱلدُّنۡيَا بِٱلۡأٓخِرَةِۖ فَلَا يُخَفَّفُ عَنۡهُمُ ٱلۡعَذَابُ وَلَا هُمۡ يُنصَرُونَ ٨٦
Zij zijn degenen die het Hiernamaals voor het aardse leven hebben verruild. Hun bestraffing zal niet verlicht worden, noch zullen zij geholpen worden.
Olaika allatheena ishtarawoe alhayata addunya bilakhirati fala yukhaffafu AAanhumu alAAathabu wala hum yunsaroen
وَلَقَدۡ ءَاتَيۡنَا مُوسَى ٱلۡكِتَٰبَ وَقَفَّيۡنَا مِنۢ بَعۡدِهِۦ بِٱلرُّسُلِۖ وَءَاتَيۡنَا عِيسَى ٱبۡنَ مَرۡيَمَ ٱلۡبَيِّنَٰتِ وَأَيَّدۡنَٰهُ بِرُوحِ ٱلۡقُدُسِۗ أَفَكُلَّمَا جَآءَكُمۡ رَسُولُۢ بِمَا لَا تَهۡوَىٰٓ أَنفُسُكُمُ ٱسۡتَكۡبَرۡتُمۡ فَفَرِيقٗا كَذَّبۡتُمۡ وَفَرِيقٗا تَقۡتُلُونَ ٨٧
En voorzeker, Wij gaven Mozes het Boek en lieten na hem een aantal Boodschappers komen. En Wij gaven Jezus, de zoon van Maria duidelijke Tekenen en Wij versterkten hem met de heilige Geest (Djibriel/Gabriël). Is het dan zo dat telkens wanneer er een Boodschapper tot jullie kwam" met iets wat jullie niet wensten, jullie arrogant werden en jullie een aantal van hen loochenden en een aantal doodden?
Walaqad atayna moesa alkitaba waqaffayna min baAAdihi birrusuli waatayna AAeesa ibna maryama albayyinati waayyadnahu biroehi alqudusi afakullama jaakum rasoelun bima la tahwa anfusukumu istakbartum fafareeqan kaththabtum wafareeqan taqtuloen
وَقَالُواْ قُلُوبُنَا غُلۡفُۢۚ بَل لَّعَنَهُمُ ٱللَّهُ بِكُفۡرِهِمۡ فَقَلِيلٗا مَّا يُؤۡمِنُونَ ٨٨
En zij zeggen: “Onze harten zijn bedekt.” Nee, Allah heeft jullie voor jullie ongeloof vervloekt, zo weinig is het dat zij geloven.
Waqaloe quloebuna ghulfun bal laAAanahumu Allahu bikufrihim faqaleelan ma yuminoen
وَلَمَّا جَآءَهُمۡ كِتَٰبٞ مِّنۡ عِندِ ٱللَّهِ مُصَدِّقٞ لِّمَا مَعَهُمۡ وَكَانُواْ مِن قَبۡلُ يَسۡتَفۡتِحُونَ عَلَى ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ فَلَمَّا جَآءَهُم مَّا عَرَفُواْ كَفَرُواْ بِهِۦۚ فَلَعۡنَةُ ٱللَّهِ عَلَى ٱلۡكَٰفِرِينَ ٨٩
En wanneer er een Boek van Allah tot hen komt, bevestigend wat zich bij hen bevindt, terwijl zij daarvoor om hulp hadden gevraagd tegen degenen die niet geloven: toen dan tot hen datgene kwam wat zij herkenden, geloofden zij er niet in. De vloek van Allah rust daarom op de ongelovigen.
Walamma jaahum kitabun min AAindi Allahi musaddiqun lima maAAahum wakanoe min qablu yastaftihoena AAala allatheena kafaroe falamma jaahum ma AAarafoe kafaroe bihi falaAAnatu Allahi AAala alkafireen
بِئۡسَمَا ٱشۡتَرَوۡاْ بِهِۦٓ أَنفُسَهُمۡ أَن يَكۡفُرُواْ بِمَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ بَغۡيًا أَن يُنَزِّلَ ٱللَّهُ مِن فَضۡلِهِۦ عَلَىٰ مَن يَشَآءُ مِنۡ عِبَادِهِۦۖ فَبَآءُو بِغَضَبٍ عَلَىٰ غَضَبٖۚ وَلِلۡكَٰفِرِينَ عَذَابٞ مُّهِينٞ ٩٠
Hoe slecht is het, want zij hebben zichzelf verkocht, dat zij ongelovig zijn in wat Allah geopenbaard heeft, uit afgunst dat Allah Zijn gunst neerzendt tot wie Hij wil van Zijn dienaren. Zij hebben zo dus de toorn over zichzelf afgeroepen. En voor de ongelovigen is er een vernederende bestraffing.
Bisama ishtaraw bihi anfusahum an yakfuroe bima anzala Allahu baghyan an yunazzila Allahu min fadlihi AAala man yashao min AAibadihi fabaoe bighadabin AAala ghadabin walilkafireena AAathabun muheen
وَإِذَا قِيلَ لَهُمۡ ءَامِنُواْ بِمَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ قَالُواْ نُؤۡمِنُ بِمَآ أُنزِلَ عَلَيۡنَا وَيَكۡفُرُونَ بِمَا وَرَآءَهُۥ وَهُوَ ٱلۡحَقُّ مُصَدِّقٗا لِّمَا مَعَهُمۡۗ قُلۡ فَلِمَ تَقۡتُلُونَ أَنۢبِيَآءَ ٱللَّهِ مِن قَبۡلُ إِن كُنتُم مُّؤۡمِنِينَ ٩١
En als er tegen hen gezegd wordt: “Geloof in wat Allah aan jullie neer heeft gezonden,” zeggen zij, “wij geloven in wat aan ons is neergezonden.” En zij zijn ongelovig aan wat daarna is gekomen terwijl dat de Waarheid is, wat bevestigt wat reeds bij hen is. Zeg: “Waarom hebben jullie al eerder de Profeten van Allah gedood, als jullie echt gelovigen waren?”
Waitha qeela lahum aminoe bima anzala Allahu qaloe numinu bima onzila AAalayna wayakfuroena bima waraahu wahuwa alhaqqu musaddiqan lima maAAahum qul falima taqtuloena anbiyaa Allahi min qablu in kuntum mumineen
۞ وَلَقَدۡ جَآءَكُم مُّوسَىٰ بِٱلۡبَيِّنَٰتِ ثُمَّ ٱتَّخَذۡتُمُ ٱلۡعِجۡلَ مِنۢ بَعۡدِهِۦ وَأَنتُمۡ ظَٰلِمُونَ ٩٢
En waarlijk Mozes kwam tot jullie met duidelijke bewijzen, maar jullie aanbaden het kalf nadat hij vertrokken was, en jullie waren onrechtvaardigen.
Walaqad jaakum moesa bilbayyinati thumma ittakhathtumu alAAijla min baAAdihi waantum thalimoen
وَإِذۡ أَخَذۡنَا مِيثَٰقَكُمۡ وَرَفَعۡنَا فَوۡقَكُمُ ٱلطُّورَ خُذُواْ مَآ ءَاتَيۡنَٰكُم بِقُوَّةٖ وَٱسۡمَعُواْۖ قَالُواْ سَمِعۡنَا وَعَصَيۡنَا وَأُشۡرِبُواْ فِي قُلُوبِهِمُ ٱلۡعِجۡلَ بِكُفۡرِهِمۡۚ قُلۡ بِئۡسَمَا يَأۡمُرُكُم بِهِۦٓ إِيمَٰنُكُمۡ إِن كُنتُم مُّؤۡمِنِينَ ٩٣
En (gedenkt) toen Wij het verbond met jullie afsloten en Wij de berg Thoer boven jullie verhieven (zeggende): “Houd je stevig vast aan wat Wij jullie gegeven hebben en luister (naar Ons Woord). Zij zeiden: “Wij hebben gehoord en waren ongehoorzaam.” En hun harten (namen) de aanbidding van het kalf (op) vanwege hun ongeloof. Zeg: “Slecht is het waartoe jullie (vervalste) geloof jullie oproept, als jullie gelovigen zijn.”
Waith akhathna meethaqakum warafaAAna fawqakumu attoera khuthoe ma ataynakum biquwwatin wasmaAAoe qaloe samiAAna waAAasayna waoshriboe fee quloebihimu alAAijla bikufrihim qul bisama yamurukum bihi eemanukum in kuntum mumineen
قُلۡ إِن كَانَتۡ لَكُمُ ٱلدَّارُ ٱلۡأٓخِرَةُ عِندَ ٱللَّهِ خَالِصَةٗ مِّن دُونِ ٱلنَّاسِ فَتَمَنَّوُاْ ٱلۡمَوۡتَ إِن كُنتُمۡ صَٰدِقِينَ ٩٤
Zeg tegen (hen): “Als de laatste verblijfplaats in het Hierrnamaals bij Allah alleen maar voor jullie is en niet voor anderen van de mensheid, verlang dan naar de dood als jullie waarachtig zijn.”
Qul in kanat lakumu addaru alakhiratu AAinda Allahi khalisatan min doeni annasi fatamannawoe almawta in kuntum sadiqeen
وَلَن يَتَمَنَّوۡهُ أَبَدَۢا بِمَا قَدَّمَتۡ أَيۡدِيهِمۡۚ وَٱللَّهُ عَلِيمُۢ بِٱلظَّٰلِمِينَ ٩٥
Maar zij zullen er (de dood) nooit naar verlangen vanwege wat hun handen vooruit hebben gestuurd. En Allah is zich goed bewust van de onrechtvaardigen.
Walan yatamannawhu abadan bima qaddamat aydeehim wallahu AAaleemun biaththalimeen
وَلَتَجِدَنَّهُمۡ أَحۡرَصَ ٱلنَّاسِ عَلَىٰ حَيَوٰةٖ وَمِنَ ٱلَّذِينَ أَشۡرَكُواْۚ يَوَدُّ أَحَدُهُمۡ لَوۡ يُعَمَّرُ أَلۡفَ سَنَةٖ وَمَا هُوَ بِمُزَحۡزِحِهِۦ مِنَ ٱلۡعَذَابِ أَن يُعَمَّرَۗ وَٱللَّهُ بَصِيرُۢ بِمَا يَعۡمَلُونَ ٩٦
En waarlijk, jullie zullen ontdekken dat zij het meest begerig zijn naar het (wereldse) leven, meer nog dan degenen die deelgenoten (aan Allah) toekennen. Ieder van hen wenste dat zij een leven van duizend jaar gegeven zou worden. Maar de gave van zo’n leven redt hen niet het minste van de bestraffing. En Allah ziet alles wat zij doen.
Walatajidannahum ahrasa annasi AAala hayatin wamina allatheena ashrakoe yawaddu ahaduhum law yuAAammaru alfa sanatin wama huwa bimuzahzihihi mina alAAathabi an yuAAammara wallahu baseerun bima yaAAmaloen
قُلۡ مَن كَانَ عَدُوّٗا لِّـجِبۡرِيلَ فَإِنَّهُۥ نَزَّلَهُۥ عَلَىٰ قَلۡبِكَ بِإِذۡنِ ٱللَّهِ مُصَدِّقٗا لِّمَا بَيۡنَ يَدَيۡهِ وَهُدٗى وَبُشۡرَىٰ لِلۡمُؤۡمِنِينَ ٩٧
Zeg: “Iedereen die een vijand van Gabriël is, waarlijk hij heeft hem (de Koran) in jouw hart neergezonden, met toestemming van Allah, als een bevestiging van wat er vόόr geopenbaard was en als leiding en goed nieuws voor de gelovigen.
Qul man kana AAaduwwan lijibreela fainnahu nazzalahu AAala qalbika biithni Allahi musaddiqan lima bayna yadayhi wahudan wabushra lilmumineen
مَن كَانَ عَدُوّٗا لِّلَّهِ وَمَلَٰٓئِكَتِهِۦ وَرُسُلِهِۦ وَجِبۡرِيلَ وَمِيكَىٰلَ فَإِنَّ ٱللَّهَ عَدُوّٞ لِّلۡكَٰفِرِينَ ٩٨
Iedereen die een vijand van Allah, Zijn Engelen, Zijn Boodschappers en van (Zijn Engelen) Gabriël en Michaël is, waarlijk, Allah is een vijand voor de ongelovigen.
Man kana AAaduwwan lillahi wamalaikatihi warusulihi wajibreela wameekala fainna Allaha AAaduwwun lilkafireen
وَلَقَدۡ أَنزَلۡنَآ إِلَيۡكَ ءَايَٰتِۭ بَيِّنَٰتٖۖ وَمَا يَكۡفُرُ بِهَآ إِلَّا ٱلۡفَٰسِقُونَ ٩٩
En waarlijk, Wij hebben aan jullie duidelijke Tekenen gezonden en niemand is daar ongelovig aan behalve de verdorvenen.
Walaqad anzalna ilayka ayatin bayyinatin wama yakfuru biha illa alfasiqoen
أَوَكُلَّمَا عَٰهَدُواْ عَهۡدٗا نَّبَذَهُۥ فَرِيقٞ مِّنۡهُمۚ بَلۡ أَكۡثَرُهُمۡ لَا يُؤۡمِنُونَ ١٠٠
Is het niet het geval dat elke keer wanneer Wij een verbond afsluiten een deel van hen het terzijde gooit? Nee! De Waarheid geloven de meesten van hen niet.
Awakullama AAahadoe AAahdan nabathahu fareequn minhum bal aktharuhum la yuminoen
وَلَمَّا جَآءَهُمۡ رَسُولٞ مِّنۡ عِندِ ٱللَّهِ مُصَدِّقٞ لِّمَا مَعَهُمۡ نَبَذَ فَرِيقٞ مِّنَ ٱلَّذِينَ أُوتُواْ ٱلۡكِتَٰبَ كِتَٰبَ ٱللَّهِ وَرَآءَ ظُهُورِهِمۡ كَأَنَّهُمۡ لَا يَعۡلَمُونَ ١٠١
En toen er een Boodschapper van Allah (Mohammed) tot hen kwam, bevestigend van wat zij (reeds) bezaten (aan kennis), wierp een groep van degenen aan wie de Schrift (de Thora) gegeven was, het boek van Allah "achter hun ruggen. Alsof zij (de Waarheid) niet kenden!
Walamma jaahum rasoelun min AAindi Allahi musaddiqun lima maAAahum nabatha fareequn mina allatheena oetoe alkitaba kitaba Allahi waraa thuhoerihim kaannahum la yaAAlamoen
وَٱتَّبَعُواْ مَا تَتۡلُواْ ٱلشَّيَٰطِينُ عَلَىٰ مُلۡكِ سُلَيۡمَٰنَۖ وَمَا كَفَرَ سُلَيۡمَٰنُ وَلَٰكِنَّ ٱلشَّيَٰطِينَ كَفَرُواْ يُعَلِّمُونَ ٱلنَّاسَ ٱلسِّحۡرَ وَمَآ أُنزِلَ عَلَى ٱلۡمَلَكَيۡنِ بِبَابِلَ هَٰرُوتَ وَمَٰرُوتَۚ وَمَا يُعَلِّمَانِ مِنۡ أَحَدٍ حَتَّىٰ يَقُولَآ إِنَّمَا نَحۡنُ فِتۡنَةٞ فَلَا تَكۡفُرۡۖ فَيَتَعَلَّمُونَ مِنۡهُمَا مَا يُفَرِّقُونَ بِهِۦ بَيۡنَ ٱلۡمَرۡءِ وَزَوۡجِهِۦۚ وَمَا هُم بِضَآرِّينَ بِهِۦ مِنۡ أَحَدٍ إِلَّا بِإِذۡنِ ٱللَّهِۚ وَيَتَعَلَّمُونَ مَا يَضُرُّهُمۡ وَلَا يَنفَعُهُمۡۚ وَلَقَدۡ عَلِمُواْ لَمَنِ ٱشۡتَرَىٰهُ مَا لَهُۥ فِي ٱلۡأٓخِرَةِ مِنۡ خَلَٰقٖۚ وَلَبِئۡسَ مَا شَرَوۡاْ بِهِۦٓ أَنفُسَهُمۡۚ لَوۡ كَانُواْ يَعۡلَمُونَ ١٠٢
Zij volgden wat de duivels voorlazen in de regeringstijd van Soelayman. Soelayman was niet ongelovig, maar de duivels waren ongelovig, zij onderwezen de mensen tovenarij (Sihr) en wat was neergezonden te Babel (Sawaad of het platteland van Irak) aan de twee Engelen Hārōet en Mārōet. Geen van beide (Engelen) gaven onderricht, zonder dat zij zeiden: “Wij zijn slechts een beproeving (van Allah voor de mens), dus wees niet ongelovig.” Zo leerden zij van hen (tovenarij) dat wat een scheiding veroorzaakte tussen een man en zijn echtgenote. Maar hiermee (‘sihr’) konden zij (de tovenaars) niemand schade berokkenen, tenzij met Allah’s toestemming. (In feite) leerden zij slechts datgene wat hun schade kan toebrengen (in het Hiernamaals) en dat (zwarte magie) hen van generlei voordeel kan zijn. En waarlijk, zij wisten dat de bedrijvers (van ‘sihr’) geen aandeel zullen hebben in (de tuinen van het Paradijs in) het Hiernamaals (doordat ze ‘sihr’ verkozen boven het Boek van Allah). En slecht is het waarvoor zij hun zielen (aan de duivel) verkochten. Hadden zij het maar geweten.
WattabaAAoe ma tatloe ashshayateenu AAala mulki sulaymana wama kafara sulaymanu walakinna ashshayateena kafaroe yuAAallimoena annasa assihra wama onzila AAala almalakayni bibabila haroeta wamaroeta wama yuAAallimani min ahadin hatta yaqoela innama nahnu fitnatun fala takfur fayataAAallamoena minhuma ma yufarriqoena bihi bayna almari wazawjihi wama hum bidarreena bihi min ahadin illa biithni Allahi wayataAAallamoena ma yadurruhum wala yanfaAAuhum walaqad AAalimoe lamani ishtarahu ma lahu fee alakhirati min khalaqin walabisa ma sharaw bihi anfusahum law kanoe yaAAlamoen
وَلَوۡ أَنَّهُمۡ ءَامَنُواْ وَٱتَّقَوۡاْ لَمَثُوبَةٞ مِّنۡ عِندِ ٱللَّهِ خَيۡرٞۚ لَّوۡ كَانُواْ يَعۡلَمُونَ ١٠٣
En als zij hadden geloofd en (Allah) hadden gevreesd, dan zou de beloning van hun Heer veel beter zijn, als zij het maar wisten!
Walaw annahum amanoe wattaqaw lamathoebatun min AAindi Allahi khayrun law kanoe yaAAlamoen
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَا تَقُولُواْ رَٰعِنَا وَقُولُواْ ٱنظُرۡنَا وَٱسۡمَعُواْۗ وَلِلۡكَٰفِرِينَ عَذَابٌ أَلِيمٞ ١٠٤
O jullie die geloven! Zeg niet “Houd rekening met ons” maar zeg “Laat ons begrijpen en hoor.” En voor de ongelovigen is er een pijnlijke bestraffing.
Ya-ayyuha allatheena amanoe la taqoeloe raAAina waqoeloe onthurna wasmaAAoe walilkafireena AAathabun aleem
مَّا يَوَدُّ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ مِنۡ أَهۡلِ ٱلۡكِتَٰبِ وَلَا ٱلۡمُشۡرِكِينَ أَن يُنَزَّلَ عَلَيۡكُم مِّنۡ خَيۡرٖ مِّن رَّبِّكُمۡۚ وَٱللَّهُ يَخۡتَصُّ بِرَحۡمَتِهِۦ مَن يَشَآءُۚ وَٱللَّهُ ذُو ٱلۡفَضۡلِ ٱلۡعَظِيمِ ١٠٥
De ongelovigen onder de mensen van het Boek en de veelgodenaanbidders wensen niet dat jullie iets goeds van jullie Heer neergezonden krijgen. Maar Allah kiest voor Zijn genade wie Hij wil. En Allah is de Bezitter van grote Genade.
Ma yawaddu allatheena kafaroe min ahli alkitabi wala almushrikeena an yunazzala AAalaykum min khayrin min rabbikum wallahu yakhtassu birahmatihi man yashao wallahu thoe alfadli alAAatheem
۞ مَا نَنسَخۡ مِنۡ ءَايَةٍ أَوۡ نُنسِهَا نَأۡتِ بِخَيۡرٖ مِّنۡهَآ أَوۡ مِثۡلِهَآۗ أَلَمۡ تَعۡلَمۡ أَنَّ ٱللَّهَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٌ ١٠٦
Van elk Vers dat Wij teniet" doen of doen vergeten: Wij brengen er iets beters voor in de plaats. Weten jullie niet dat Allah in staat is om alles te doen?
Ma nansakh min ayatin aw nunsiha nati bikhayrin minha aw mithliha alam taAAlam anna Allaha AAala kulli shayin qadeer
أَلَمۡ تَعۡلَمۡ أَنَّ ٱللَّهَ لَهُۥ مُلۡكُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۗ وَمَا لَكُم مِّن دُونِ ٱللَّهِ مِن وَلِيّٖ وَلَا نَصِيرٍ ١٠٧
Weten jullie niet dat het Allah is, Die het domein van de hemelen en de aarde bezit? En naast Allah hebben jullie geen voogd of helper.
Alam taAAlam anna Allaha lahu mulku assamawati walardi wama lakum min doeni Allahi min waliyyin wala naseer
أَمۡ تُرِيدُونَ أَن تَسۡـَٔلُواْ رَسُولَكُمۡ كَمَا سُئِلَ مُوسَىٰ مِن قَبۡلُۗ وَمَن يَتَبَدَّلِ ٱلۡكُفۡرَ بِٱلۡإِيمَٰنِ فَقَدۡ ضَلَّ سَوَآءَ ٱلسَّبِيلِ ١٠٨
Of willen jullie je Boodschapper ondervragen zoals Mozes hiervoor ondervraagd is? En degene die het geloof in ongeloof verandert, is waarlijk van het Rechte Pad afgedwaald.
Am tureedoena an tasaloe rasoelakum kama suila moesa min qablu waman yatabaddali alkufra bileemani faqad dalla sawaa assabeel
وَدَّ كَثِيرٞ مِّنۡ أَهۡلِ ٱلۡكِتَٰبِ لَوۡ يَرُدُّونَكُم مِّنۢ بَعۡدِ إِيمَٰنِكُمۡ كُفَّارًا حَسَدٗا مِّنۡ عِندِ أَنفُسِهِم مِّنۢ بَعۡدِ مَا تَبَيَّنَ لَهُمُ ٱلۡحَقُّۖ فَٱعۡفُواْ وَٱصۡفَحُواْ حَتَّىٰ يَأۡتِيَ ٱللَّهُ بِأَمۡرِهِۦٓۗ إِنَّ ٱللَّهَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٞ ١٠٩
Veel mensen van het Boek wensen dat zij jullie tot het ongeloof kunnen brengen nadat jullie geloofd hebben, uit afgunst die onder hen leeft, zelfs nadat de Waarheid hen duidelijk geworden is. Maar vergeef hen en let er niet op totdat Allah Zijn bevelen geeft. Waarlijk, Allah is tot alles in staat.
Wadda katheerun min ahli alkitabi law yaruddoenakum min baAAdi eemanikum kuffaran hasadan min AAindi anfusihim min baAAdi ma tabayyana lahumu alhaqqu faAAfoe wasfahoe hatta yatiya Allahu biamrihi inna Allaha AAala kulli shayin qadeer
وَأَقِيمُواْ ٱلصَّلَوٰةَ وَءَاتُواْ ٱلزَّكَوٰةَۚ وَمَا تُقَدِّمُواْ لِأَنفُسِكُم مِّنۡ خَيۡرٖ تَجِدُوهُ عِندَ ٱللَّهِۗ إِنَّ ٱللَّهَ بِمَا تَعۡمَلُونَ بَصِيرٞ ١١٠
En onderhoudt de gebeden en geef zakaat en het goede dat jullie naar voren sturen voor jullie zelf, zullen jullie bij Allah vinden. Voorwaar Allah is de Alziende van wat jullie doen.
Waaqeemoe assalata waatoe azzakata wama tuqaddimoe lianfusikum min khayrin tajidoehu AAinda Allahi inna Allaha bima taAAmaloena baseer
وَقَالُواْ لَن يَدۡخُلَ ٱلۡجَنَّةَ إِلَّا مَن كَانَ هُودًا أَوۡ نَصَٰرَىٰۗ تِلۡكَ أَمَانِيُّهُمۡۗ قُلۡ هَاتُواْ بُرۡهَٰنَكُمۡ إِن كُنتُمۡ صَٰدِقِينَ ١١١
En zij zeggen: “Niemand zal het Paradijs binnentreden behalve wie Jood of Christen was.” Dat zijn hun eigen wensen. Zeg: “Geef bewijs als jullie waarachtig zijn.”
Waqaloe lan yadkhula aljannata illa man kana hoedan aw nasara tilka amaniyyuhum qul hatoe burhanakum in kuntum sadiqeen
بَلَىٰۚ مَنۡ أَسۡلَمَ وَجۡهَهُۥ لِلَّهِ وَهُوَ مُحۡسِنٞ فَلَهُۥٓ أَجۡرُهُۥ عِندَ رَبِّهِۦ وَلَا خَوۡفٌ عَلَيۡهِمۡ وَلَا هُمۡ يَحۡزَنُونَ ١١٢
Inderdaad! Eénieder die (zichzelf) in volle overgave aan Allah onderwerpt en een moehsin is, zal zijn beloning bij zijn Heer aantreffen. Zij zullen niet vrezen noch zullen zij bedroefd zijn.
Bala man aslama wajhahu lillahi wahuwa muhsinun falahu ajruhu AAinda rabbihi wala khawfun AAalayhim wala hum yahzanoen
وَقَالَتِ ٱلۡيَهُودُ لَيۡسَتِ ٱلنَّصَٰرَىٰ عَلَىٰ شَيۡءٖ وَقَالَتِ ٱلنَّصَٰرَىٰ لَيۡسَتِ ٱلۡيَهُودُ عَلَىٰ شَيۡءٖ وَهُمۡ يَتۡلُونَ ٱلۡكِتَٰبَۗ كَذَٰلِكَ قَالَ ٱلَّذِينَ لَا يَعۡلَمُونَ مِثۡلَ قَوۡلِهِمۡۚ فَٱللَّهُ يَحۡكُمُ بَيۡنَهُمۡ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ فِيمَا كَانُواْ فِيهِ يَخۡتَلِفُونَ ١١٣
De Joden zeggen dat de Christenen niets volgen en de Christenen zeggen dat de Joden niets volgen hoewel zij de geschriften reciteren. Hetzelfde zeggen (de heidenen), die het niet weten. Allah zal op de Dag der Opstanding onder hen oordelen over datgene waarin zij van mening verschillen.
Waqalati alyahoedu laysati annasara AAala shayin waqalati annasara laysati alyahoedu AAala shayin wahum yatloena alkitaba kathalika qala allatheena la yaAAlamoena mithla qawlihim fallahu yahkumu baynahum yawma alqiyamati feema kanoe feehi yakhtalifoen
وَمَنۡ أَظۡلَمُ مِمَّن مَّنَعَ مَسَٰجِدَ ٱللَّهِ أَن يُذۡكَرَ فِيهَا ٱسۡمُهُۥ وَسَعَىٰ فِي خَرَابِهَآۚ أُوْلَٰٓئِكَ مَا كَانَ لَهُمۡ أَن يَدۡخُلُوهَآ إِلَّا خَآئِفِينَۚ لَهُمۡ فِي ٱلدُّنۡيَا خِزۡيٞ وَلَهُمۡ فِي ٱلۡأٓخِرَةِ عَذَابٌ عَظِيمٞ ١١٤
En wie is er onrechtvaardiger dan degenen die verbieden dat Allah’s Naam verheerlijkt en genoemd wordt in Allah’s moskeeën en deze trachten te vernietigen? Zij "behoren deze niet binnen te gaan, behalve als vrezenden. Er is schande over hen in deze wereld en zij zullen een grote bestraffing krijgen in het Hiernamaals.
Waman athlamu mimman manaAAa masajida Allahi an yuthkara feeha ismuhu wasaAAa fee kharabiha olaika ma kana lahum an yadkhuloeha illa khaifeena lahum fee addunya khizyun walahum fee alakhirati AAathabun AAatheem
وَلِلَّهِ ٱلۡمَشۡرِقُ وَٱلۡمَغۡرِبُۚ فَأَيۡنَمَا تُوَلُّواْ فَثَمَّ وَجۡهُ ٱللَّهِۚ إِنَّ ٱللَّهَ وَٰسِعٌ عَلِيمٞ ١١٥
En aan Allah behoort het Oosten en het Westen, dus waar jullie je ook wenden, daar is het Aangezicht van Allah. Allah is Alomvattend, Alwetend.
Walillahi almashriqu walmaghribu faaynama tuwalloe fathamma wajhu Allahi inna Allaha wasiAAun AAaleem
وَقَالُواْ ٱتَّخَذَ ٱللَّهُ وَلَدٗاۗ سُبۡحَٰنَهُۥۖ بَل لَّهُۥ مَا فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۖ كُلّٞ لَّهُۥ قَٰنِتُونَ ١١٦
En zij zeggen: “Allah heeft een zoon gekregen. Verheerlijkt is Hij. Nee! Aan Hem behoort alles wat er in de hemelen en op de aarde is en allen onderwerpen zich in gehoorzaamheid aan Hem.
Waqaloe itakhatha Allahu waladan subhanahu bal lahu ma fee assamawati walardi kullun lahu qanitoen
بَدِيعُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۖ وَإِذَا قَضَىٰٓ أَمۡرٗا فَإِنَّمَا يَقُولُ لَهُۥ كُن فَيَكُونُ ١١٧
Als de Voortbrenger van de hemelen en de aarde tot iets besluit, zegt Hij slechts: “Wees” en het is.
BadeeAAu assamawati walardi waitha qada amran fainnama yaqoelu lahu kun fayakoen
وَقَالَ ٱلَّذِينَ لَا يَعۡلَمُونَ لَوۡلَا يُكَلِّمُنَا ٱللَّهُ أَوۡ تَأۡتِينَآ ءَايَةٞۗ كَذَٰلِكَ قَالَ ٱلَّذِينَ مِن قَبۡلِهِم مِّثۡلَ قَوۡلِهِمۡۘ تَشَٰبَهَتۡ قُلُوبُهُمۡۗ قَدۡ بَيَّنَّا ٱلۡأٓيَٰتِ لِقَوۡمٖ يُوقِنُونَ ١١٨
En degenen die geen kennis hebben zeggen: “Waarom spreekt Allah niet tot ons of waarom komt er geen teken tot ons?” Zo spraken ook degenen die vόόr hen waren. Hun harten zijn hetzelfde, Wij hebben beslist de Tekenen duidelijk gemaakt aan een overtuigd volk.
Waqala allatheena la yaAAlamoena lawla yukallimuna Allahu aw tateena ayatun kathalika qala allatheena min qablihim mithla qawlihim tashabahat quloebuhum qad bayyanna alayati liqawmin yoeqinoen
إِنَّآ أَرۡسَلۡنَٰكَ بِٱلۡحَقِّ بَشِيرٗا وَنَذِيرٗاۖ وَلَا تُسۡـَٔلُ عَنۡ أَصۡحَٰبِ ٱلۡجَحِيمِ ١١٩
Waarlijk, Wij hebben jou (Mohammed) met de Waarheid gestuurd, als een brenger van goed nieuws en als een waarschuwer. En jij zult niet ondervraagd worden over de bewoners van het laaiende vuur.
Inna arsalnaka bilhaqqi basheeran wanatheeran wala tusalu Aaan ashabi aljaheem
وَلَن تَرۡضَىٰ عَنكَ ٱلۡيَهُودُ وَلَا ٱلنَّصَٰرَىٰ حَتَّىٰ تَتَّبِعَ مِلَّتَهُمۡۗ قُلۡ إِنَّ هُدَى ٱللَّهِ هُوَ ٱلۡهُدَىٰۗ وَلَئِنِ ٱتَّبَعۡتَ أَهۡوَآءَهُم بَعۡدَ ٱلَّذِي جَآءَكَ مِنَ ٱلۡعِلۡمِ مَا لَكَ مِنَ ٱللَّهِ مِن وَلِيّٖ وَلَا نَصِيرٍ ١٢٠
En de de Joden en de Christenen zullen nooit behagen in jou vinden, totdat je hun godsdienst zal volgen. Zeg: “Waarlijk de Leiding van Allah, is de enige leiding. En als jij hun wensen volgt, nadat de kennis tot jou is gekomen, dan zal er voor jou tegen Allah noch een ‘beschermer’ noch een ‘helper’ zijn.
Walan tarda AAanka alyahoedu wala annasara hatta tattabiAAa millatahum qul inna huda Allahi huwa alhuda walaini ittabaAAta ahwaahum baAAda allathee jaaka mina alAAilmi ma laka mina Allahi min waliyyin wala naseer
ٱلَّذِينَ ءَاتَيۡنَٰهُمُ ٱلۡكِتَٰبَ يَتۡلُونَهُۥ حَقَّ تِلَاوَتِهِۦٓ أُوْلَٰٓئِكَ يُؤۡمِنُونَ بِهِۦۗ وَمَن يَكۡفُرۡ بِهِۦ فَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡخَٰسِرُونَ ١٢١
Degenen aan wie Wij het Boek hebben gegeven, reciteren het zoals het gereciteerd behoort te worden. Zij zijn degenen die erin geloven. En degenen die er niet in geloven, dat zijn degenen die de verliezers zijn.
Allatheena ataynahumu alkitaba yatloenahu haqqa tilawatihi olaika yuminoena bihi waman yakfur bihi faolaika humu alkhasiroen
يَٰبَنِيٓ إِسۡرَٰٓءِيلَ ٱذۡكُرُواْ نِعۡمَتِيَ ٱلَّتِيٓ أَنۡعَمۡتُ عَلَيۡكُمۡ وَأَنِّي فَضَّلۡتُكُمۡ عَلَى ٱلۡعَٰلَمِينَ ١٢٢
O Kinderen van Israël, gedenk Mijn gunst die Ik jullie heb verleend en dat Ik aan jullie boven alle wereldwezens de voorkeur" gaf.
Ya-banee israeela othkuroe niAAmatiya allatee anAAamtu AAalaykum waannee faddaltukum AAala alAAalameen
وَٱتَّقُواْ يَوۡمٗا لَّا تَجۡزِي نَفۡسٌ عَن نَّفۡسٖ شَيۡـٔٗا وَلَا يُقۡبَلُ مِنۡهَا عَدۡلٞ وَلَا تَنفَعُهَا شَفَٰعَةٞ وَلَا هُمۡ يُنصَرُونَ ١٢٣
En vrees de Dag (des Oordeels) waarop geen mens iets voor een ander kan betekenen en er geen losprijs van haar aanvaard zal worden en geen voorspraak zal hem baten. En hulp (tegen de bestraffing) zal er nooit komen.
Wattaqoe yawman la tajzee nafsun AAan nafsin shayan wala yuqbalu minha AAadlun wala tanfaAAuha shafaAAatun wala hum yunsaroen
۞ وَإِذِ ٱبۡتَلَىٰٓ إِبۡرَٰهِـۧمَ رَبُّهُۥ بِكَلِمَٰتٖ فَأَتَمَّهُنَّۖ قَالَ إِنِّي جَاعِلُكَ لِلنَّاسِ إِمَامٗاۖ قَالَ وَمِن ذُرِّيَّتِيۖ قَالَ لَا يَنَالُ عَهۡدِي ٱلظَّٰلِمِينَ ١٢٤
En (gedenk) dat de Heer van Abraham hem met enige bevelen beproefde, welke hij vervulde. Hij (Allah) zei (tot hem): “Waarlijk, Ik zal jou voor de mensheid tot een leider maken.” Abraham zei: “En ook van mijn nageslacht?” Allah zei: “Mijn verbond (profeetschap) omvat de onrechtplegers niet.
Waithi ibtala ibraheema rabbuhu bikalimatin faatammahunna qala innee jaAAiluka linnasi imaman qala wamin thurriyyatee qala la yanalu AAahdee aththalimeen
وَإِذۡ جَعَلۡنَا ٱلۡبَيۡتَ مَثَابَةٗ لِّلنَّاسِ وَأَمۡنٗا وَٱتَّخِذُواْ مِن مَّقَامِ إِبۡرَٰهِـۧمَ مُصَلّٗىۖ وَعَهِدۡنَآ إِلَىٰٓ إِبۡرَٰهِـۧمَ وَإِسۡمَٰعِيلَ أَن طَهِّرَا بَيۡتِيَ لِلطَّآئِفِينَ وَٱلۡعَٰكِفِينَ وَٱلرُّكَّعِ ٱلسُّجُودِ ١٢٥
En (gedenk) dat Wij het Huis (de Ka’ba in Mekka) tot een plaats van toevlucht en tot een veilige plaats gemaakt hebben. En neem voor jouw (mensen) de plek van Abraham als een gebedsplaats en Wij hebben Abraham en Ismaël bevolen dat zij Mijn huis moeten reinigen voor degenen die daar om heen lopen of daar verblijven of daar buigen en neerknielen.
Waith jaAAalna albayta mathabatan linnasi waamnan wattakhithoe min maqami ibraheema musallan waAAahidna ila ibraheema waismaAAeela an tahhira baytiya littaifeena walAAakifeena warrukkaAAi assujoed
وَإِذۡ قَالَ إِبۡرَٰهِـۧمُ رَبِّ ٱجۡعَلۡ هَٰذَا بَلَدًا ءَامِنٗا وَٱرۡزُقۡ أَهۡلَهُۥ مِنَ ٱلثَّمَرَٰتِ مَنۡ ءَامَنَ مِنۡهُم بِٱللَّهِ وَٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِۚ قَالَ وَمَن كَفَرَ فَأُمَتِّعُهُۥ قَلِيلٗا ثُمَّ أَضۡطَرُّهُۥٓ إِلَىٰ عَذَابِ ٱلنَّارِۖ وَبِئۡسَ ٱلۡمَصِيرُ ١٢٦
En (gedenk) toen Abraham bad: “Mijn Heer, maak van deze stad een veilige plaats en voorzie haar bevolking, die in Allah en de Laatste Dag geloven, van vruchten.” Hij antwoordde: “De ongelovigen zal Ik een tijdje tevredenheid geven en dan zal Ik hen aan de bestraffing van de Hel onderwerpen, en dat is zeker de ergste bestemming.”
Waith qala ibraheemu rabbi ijAAal hatha baladan aminan warzuq ahlahu mina aththamarati man amana minhum billahi walyawmi alakhiri qala waman kafara faomattiAAuhu qaleelan thumma adtarruhu ila AAathabi annari wabisa almaseer
وَإِذۡ يَرۡفَعُ إِبۡرَٰهِـۧمُ ٱلۡقَوَاعِدَ مِنَ ٱلۡبَيۡتِ وَإِسۡمَٰعِيلُ رَبَّنَا تَقَبَّلۡ مِنَّآۖ إِنَّكَ أَنتَ ٱلسَّمِيعُ ٱلۡعَلِيمُ ١٢٧
En (gedenk) toen Abraham en (zijn zoon Ismaël) de funderingen van het huis (de Ka’ba in Mekka) legden (zeggende): “Onze Heer, accepteer (deze dienst) van ons. Waarlijk! U bent de Alhorende, de Alwetende.
Waith yarfaAAu ibraheemu alqawaAAida mina albayti waismaAAeelu rabbana taqabbal minna innaka anta assameeAAu alAAaleem
رَبَّنَا وَٱجۡعَلۡنَا مُسۡلِمَيۡنِ لَكَ وَمِن ذُرِّيَّتِنَآ أُمَّةٗ مُّسۡلِمَةٗ لَّكَ وَأَرِنَا مَنَاسِكَنَا وَتُبۡ عَلَيۡنَآۖ إِنَّكَ أَنتَ ٱلتَّوَّابُ ٱلرَّحِيمُ ١٢٨
Onze Heer! En laat ons aan U onderwerpen en ons nageslacht een natie van degenen zijn die zich aan U onderwerpen en onderwijs ons de rituelen van de Hadj en accepteer ons berouw. Waarlijk U bent de Meest Berouwaanvaardende, de "Genadevolle.
Rabbana wajAAalna muslimayni laka wamin thurriyyatina ommatan muslimatan laka waarina manasikana watub AAalayna innaka anta attawwabu arraheem
رَبَّنَا وَٱبۡعَثۡ فِيهِمۡ رَسُولٗا مِّنۡهُمۡ يَتۡلُواْ عَلَيۡهِمۡ ءَايَٰتِكَ وَيُعَلِّمُهُمُ ٱلۡكِتَٰبَ وَٱلۡحِكۡمَةَ وَيُزَكِّيهِمۡۖ إِنَّكَ أَنتَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡحَكِيمُ ١٢٩
Onze Heer! Stuur onder hen een Boodschapper van hun (eigen volk), die hun Uw verzen zal reciteren en hen in het Boek (de Koran) en volledige kennis van de islamitische wet en jurisprudentie zal onderrichten en hen reinigt. Waarlijk! U bent de Almachtige, de Alwijze.
Rabbana wabAAath feehim rasoelan minhum yatloe AAalayhim ayatika wayuAAallimuhumu alkitaba walhikmata wayuzakkeehim innaka anta alAAazeezu alhakeem
وَمَن يَرۡغَبُ عَن مِّلَّةِ إِبۡرَٰهِـۧمَ إِلَّا مَن سَفِهَ نَفۡسَهُۥۚ وَلَقَدِ ٱصۡطَفَيۡنَٰهُ فِي ٱلدُّنۡيَاۖ وَإِنَّهُۥ فِي ٱلۡأٓخِرَةِ لَمِنَ ٱلصَّٰلِحِينَ ١٣٠
En wie keert zich af van de godsdienst van Abraham, anders dan wie zichzelf voor de gek houdt? Waarlijk, Wij hebben hem in deze wereld uitgekozen en waarlijk, in het Hiernamaals zal hij onder de rechtvaardigen zijn.
Waman yarghabu AAan millati ibraheema illa man safiha nafsahu walaqadi istafaynahu fee addunya wainnahu fee alakhirati lamina assaliheen
إِذۡ قَالَ لَهُۥ رَبُّهُۥٓ أَسۡلِمۡۖ قَالَ أَسۡلَمۡتُ لِرَبِّ ٱلۡعَٰلَمِينَ ١٣١
Toen zijn Heer tegen hem zei: “Onderwerp jezelf (aan Mij)!” zei hij: “Ik heb mij onderworpen aan de Heer der Werelden.”
Ith qala lahu rabbuhu aslim qala aslamtu lirabbi alAAalameen
وَوَصَّىٰ بِهَآ إِبۡرَٰهِـۧمُ بَنِيهِ وَيَعۡقُوبُ يَٰبَنِيَّ إِنَّ ٱللَّهَ ٱصۡطَفَىٰ لَكُمُ ٱلدِّينَ فَلَا تَمُوتُنَّ إِلَّا وَأَنتُم مُّسۡلِمُونَ ١٣٢
En dit was door Abraham aan zijn zonen opgelegd (en dat deed) Jacob (ook, zeggende): “O mijn zonen! Allah heeft voor jullie de ware godsdienst uitgekozen en sterf niet tenzij je moslim bent.”
Wawassa biha ibraheemu baneehi wayaAAqoebu ya-baniyya inna Allaha istafa lakumu addeena fala tamoetunna illa waantum muslimoen
أَمۡ كُنتُمۡ شُهَدَآءَ إِذۡ حَضَرَ يَعۡقُوبَ ٱلۡمَوۡتُ إِذۡ قَالَ لِبَنِيهِ مَا تَعۡبُدُونَ مِنۢ بَعۡدِيۖ قَالُواْ نَعۡبُدُ إِلَٰهَكَ وَإِلَٰهَ ءَابَآئِكَ إِبۡرَٰهِـۧمَ وَإِسۡمَٰعِيلَ وَإِسۡحَٰقَ إِلَٰهٗا وَٰحِدٗا وَنَحۡنُ لَهُۥ مُسۡلِمُونَ ١٣٣
Of waren jullie getuigen toen Jacob de dood nabij was? Toen hij tegen zijn zonen zei: “Wat zullen jullie na mij aanbidden?” Zij zeiden: “Wij zullen jouw God aanbidden, de God van jouw vaderen, Abraham, Ismaël en Isaac, Eén God en aan Hem onderwerpen wij ons.”
Am kuntum shuhadaa ith hadara yaAAqoeba almawtu ith qala libaneehi ma taAAbudoena min baAAdee qaloe naAAbudu ilahaka wailaha abaika ibraheema waismaAAeela waishaqa ilahan wahidan wanahnu lahu muslimoen
تِلۡكَ أُمَّةٞ قَدۡ خَلَتۡۖ لَهَا مَا كَسَبَتۡ وَلَكُم مَّا كَسَبۡتُمۡۖ وَلَا تُسۡـَٔلُونَ عَمَّا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ ١٣٤
Dat was een natie die nu uitgestorven is. Zij zullen de beloning krijgen van wat zij verdiend hebben en jullie van wat jullie verdiend hebben. En jullie zullen niet ondervraagd worden over wat zij gewoonlijk deden.
Tilka ommatun qad khalat laha ma kasabat walakum ma kasabtum wala tusaloena AAamma kano yaAAmaloen
وَقَالُواْ كُونُواْ هُودًا أَوۡ نَصَٰرَىٰ تَهۡتَدُواْۗ قُلۡ بَلۡ مِلَّةَ إِبۡرَٰهِـۧمَ حَنِيفٗاۖ وَمَا كَانَ مِنَ ٱلۡمُشۡرِكِينَ ١٣٥
En zij zeggen: “Wordt Jood of Christen, dan zullen jullie geleid zijn.” Zeg: “Nee (wij volgen) de godsdienst van Abraham, die ‘Hanifan’ (rechtzinnig) was en hij was nooit onder degenen die deelgenoten aan Allah toekenden!”
Waqaloe koenoe hoedan aw nasara tahtadoe qul bal millata ibraheema haneefan wama kana mina almushrikeen
قُولُوٓاْ ءَامَنَّا بِٱللَّهِ وَمَآ أُنزِلَ إِلَيۡنَا وَمَآ أُنزِلَ إِلَىٰٓ إِبۡرَٰهِـۧمَ وَإِسۡمَٰعِيلَ وَإِسۡحَٰقَ وَيَعۡقُوبَ وَٱلۡأَسۡبَاطِ وَمَآ أُوتِيَ مُوسَىٰ وَعِيسَىٰ وَمَآ أُوتِيَ ٱلنَّبِيُّونَ مِن رَّبِّهِمۡ لَا نُفَرِّقُ بَيۡنَ أَحَدٖ مِّنۡهُمۡ وَنَحۡنُ لَهُۥ مُسۡلِمُونَ ١٣٦
Zeg: “Wij geloven in Allah en datgene wat Hij aan ons neergezonden heeft en dat wat aan Abraham, Ismael, Isaac en de stammen is gegeven en dat wat aan Mozes gegeven is en aan Jezus, en dat wat er is gegeven van hun Heer aan de Profeten. Wij maken geen onderscheid tussen hen en aan Hem hebben wij ons onderworpen.”
Qoeloe amanna billahi wama onzila ilayna wama onzila ila ibraheema waismaAAeela waishaqa wayaAAqoeba walasbati wama oetiya moesa waAAeesa wama oetiya annabiyyoena min rabbihim la nufarriqu bayna ahadin minhum wanahnu lahu muslimoen
فَإِنۡ ءَامَنُواْ بِمِثۡلِ مَآ ءَامَنتُم بِهِۦ فَقَدِ ٱهۡتَدَواْۖ وَّإِن تَوَلَّوۡاْ فَإِنَّمَا هُمۡ فِي شِقَاقٖۖ فَسَيَكۡفِيكَهُمُ ٱللَّهُۚ وَهُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلۡعَلِيمُ ١٣٧
En als zij (de mensen van het boek, zowel de Joden als de Christenen) geloven in hetzelfde als waarin jullie geloven, dan (pas) zijn zij rechtgeleid. Maar als zij zich afwenden, dan zijn zij het die de vijandschap (jegens jullie) verkeren. Allah (belooft) dat Hij voor jullie voldoende zal zijn tegen hen (die zich vijandig opstellen tegenover de waarheid waarmee Mohammed is gekomen). En Hij is de Alhorende, de Alwetende.
Fain amanoe bimithli ma amantum bihi faqadi ihtadaw wain tawallaw fainnama hum fee shiqaqin fasayakfeekahumu Allahu wahuwa assameeAAu alAAaleem
صِبۡغَةَ ٱللَّهِ وَمَنۡ أَحۡسَنُ مِنَ ٱللَّهِ صِبۡغَةٗۖ وَنَحۡنُ لَهُۥ عَٰبِدُونَ ١٣٨
Neem de godsdienst van Allah en welke godsdienst is beter dan die van Allah? En wij zijn Zijn aanbidders.
Sibghata Allahi waman ahsanu mina Allahi sibghatan wanahnu lahu AAabidoen
قُلۡ أَتُحَآجُّونَنَا فِي ٱللَّهِ وَهُوَ رَبُّنَا وَرَبُّكُمۡ وَلَنَآ أَعۡمَٰلُنَا وَلَكُمۡ أَعۡمَٰلُكُمۡ وَنَحۡنُ لَهُۥ مُخۡلِصُونَ ١٣٩
Zeg: “Redetwisten jullie met ons over Allah terwijl Hij onze Heer en jullie Heer is? En wij zullen voor onze daden beloond worden en jullie voor jullie daden. En wij zijn in onze aanbidding en gehoorzaamheid voor Hem oprecht.
Qul atuhajjoenana fee Allahi wahuwa rabbuna warabbukum walana aAAmaluna walakum aAAmalukum wanahnu lahu mukhlisoen
أَمۡ تَقُولُونَ إِنَّ إِبۡرَٰهِـۧمَ وَإِسۡمَٰعِيلَ وَإِسۡحَٰقَ وَيَعۡقُوبَ وَٱلۡأَسۡبَاطَ كَانُواْ هُودًا أَوۡ نَصَٰرَىٰۗ قُلۡ ءَأَنتُمۡ أَعۡلَمُ أَمِ ٱللَّهُۗ وَمَنۡ أَظۡلَمُ مِمَّن كَتَمَ شَهَٰدَةً عِندَهُۥ مِنَ ٱللَّهِۗ وَمَا ٱللَّهُ بِغَٰفِلٍ عَمَّا تَعۡمَلُونَ ١٤٠
Of zeggen jullie dat Abraham, Ismaël, Isaac, Jacob en de stammen Joden en Christenen waren? Zeg: “Weten jullie het beter of (weet) Allah (het beter)? En wie is onrechtvaardiger dan degene die de getuigenis die hij van Allah heeft gekregen verbergt? En Allah is niet onachtzaam van wat jullie doen.”
Am taqoeloena inna ibraheema waismaAAeela waishaqa wayaAAqoeba walasbata kanoe hoedan aw nasara qul aantum aAAlamu ami Allahu waman athlamu mimman katama shahadatan AAindahu mina Allahi wama Allahu bighafilin AAamma taAAmaloen
تِلۡكَ أُمَّةٞ قَدۡ خَلَتۡۖ لَهَا مَا كَسَبَتۡ وَلَكُم مَّا كَسَبۡتُمۡۖ وَلَا تُسۡـَٔلُونَ عَمَّا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ ١٤١
Dat is een volk dat uitgestorven is. Zij zullen de beloning krijgen die zij verdienden, en jullie zullen krijgen wat jullie verdienden. En jullie zullen niet ondervraagd worden wat zij deden. ۞
Tilka ommatun qad khalat laha ma kasabat walakum ma kasabtum wala tusaloena AAamma kanoe yaAAmaloen
۞ سَيَقُولُ ٱلسُّفَهَآءُ مِنَ ٱلنَّاسِ مَا وَلَّىٰهُمۡ عَن قِبۡلَتِهِمُ ٱلَّتِي كَانُواْ عَلَيۡهَاۚ قُل لِّلَّهِ ٱلۡمَشۡرِقُ وَٱلۡمَغۡرِبُۚ يَهۡدِي مَن يَشَآءُ إِلَىٰ صِرَٰطٖ مُّسۡتَقِيمٖ ١٤٢
De dwazen onder het volk zullen zeggen: “Wat heeft hen zich doen afwenden van hun Qibla (gebedsrichting), waartoe zij zich gewend waren te richten?” Zeg: “Aan Allah behoort zowel het Oosten als het Westen toe, Hij leidt wie Hij wil op het rechte Pad.”
Sayaqoelu assufahao mina annasi ma wallahum AAan qiblatihimu allatee kanoe AAalayha qul lillahi almashriqu walmaghribu yahdee man yashao ila siratin mustaqeem
وَكَذَٰلِكَ جَعَلۡنَٰكُمۡ أُمَّةٗ وَسَطٗا لِّتَكُونُواْ شُهَدَآءَ عَلَى ٱلنَّاسِ وَيَكُونَ ٱلرَّسُولُ عَلَيۡكُمۡ شَهِيدٗاۗ وَمَا جَعَلۡنَا ٱلۡقِبۡلَةَ ٱلَّتِي كُنتَ عَلَيۡهَآ إِلَّا لِنَعۡلَمَ مَن يَتَّبِعُ ٱلرَّسُولَ مِمَّن يَنقَلِبُ عَلَىٰ عَقِبَيۡهِۚ وَإِن كَانَتۡ لَكَبِيرَةً إِلَّا عَلَى ٱلَّذِينَ هَدَى ٱللَّهُۗ وَمَا كَانَ ٱللَّهُ لِيُضِيعَ إِيمَٰنَكُمۡۚ إِنَّ ٱللَّهَ بِٱلنَّاسِ لَرَءُوفٞ رَّحِيمٞ ١٤٣
Dus hebben Wij van jullie een rechtvaardig volk gemaakt (de oemmah van Mohammed), opdat jullie getuigen zullen zijn voor de mensheid en opdat de Boodschapper een getuige zal zijn voor jullie. En We hebben de gebedsrichting richting Jeruzalem slechts gemaakt om degenen die de Boodschapper volgen te onderscheiden van degenen die zich op hun hielen omdraaien te beproeven. Waarlijk, het (de verandering van de Qibla) was zwaar, behalve voor degenen die Allah heeft geleid. En Allah zal jullie geloof nooit verloren laten gaan. Waarlijk, Allah is vol vriendelijkheid, de Meest Genadevolle voor de mensheid.
Wakathalika jaAAalnakum ommatan wasatan litakoenoe shuhadaa AAala annasi wayakoena arrasoelu AAalaykum shaheedan wama jaAAalna alqiblata allatee kunta AAalayha illa linaAAlama man yattabiAAu arrasoela mimman yanqalibu AAala AAaqibayhi wain kanat lakabeeratan illa AAala allatheena hada Allahu wama kana Allahu liyudeeAAa eemanakum inna Allaha binnasi laraoefun raheem
قَدۡ نَرَىٰ تَقَلُّبَ وَجۡهِكَ فِي ٱلسَّمَآءِۖ فَلَنُوَلِّيَنَّكَ قِبۡلَةٗ تَرۡضَىٰهَاۚ فَوَلِّ وَجۡهَكَ شَطۡرَ ٱلۡمَسۡجِدِ ٱلۡحَرَامِۚ وَحَيۡثُ مَا كُنتُمۡ فَوَلُّواْ وُجُوهَكُمۡ شَطۡرَهُۥۗ وَإِنَّ ٱلَّذِينَ أُوتُواْ ٱلۡكِتَٰبَ لَيَعۡلَمُونَ أَنَّهُ ٱلۡحَقُّ مِن رَّبِّهِمۡۗ وَمَا ٱللَّهُ بِغَٰفِلٍ عَمَّا يَعۡمَلُونَ ١٤٤
Waarlijk! Wij hebben gezien dat jij je gezicht naar de hemel toekeerde. Zeker, Wij zullen je tot een gebedsrichting laten keren waar je tevreden over bent, richt je gezicht dus in de richting van de Masdjied al-Haram. En waar jullie je ook bevinden, wendt jullie gezichten in die richting. Waarlijk de mensen die het Schrift is gegeven, weten goed wat de Waarheid van hun Heer is. En Allah is niet onachtzaam van wat jullie doen.
Qad nara taqalluba wajhika fee assamai falanuwalliyannaka qiblatan tardaha fawalli wajhaka shatra almasjidi alharami wahaythu ma kuntum fawalloe wujoehakum shatrahu wainna allatheena oetoe alkitaba layaAAlamoena annahu alhaqqu min rabbihim wama Allahu bighafilin AAamma yaAAmaloen
وَلَئِنۡ أَتَيۡتَ ٱلَّذِينَ أُوتُواْ ٱلۡكِتَٰبَ بِكُلِّ ءَايَةٖ مَّا تَبِعُواْ قِبۡلَتَكَۚ وَمَآ أَنتَ بِتَابِعٖ قِبۡلَتَهُمۡۚ وَمَا بَعۡضُهُم بِتَابِعٖ قِبۡلَةَ بَعۡضٖۚ وَلَئِنِ ٱتَّبَعۡتَ أَهۡوَآءَهُم مِّنۢ بَعۡدِ مَا جَآءَكَ مِنَ ٱلۡعِلۡمِ إِنَّكَ إِذٗا لَّمِنَ ٱلظَّٰلِمِينَ ١٤٥
En zelfs als je de mensen van het Boek alle Tekenen brengt, dan nog zullen ze jouw gebedsrichting niet volgen, noch zal jij hun gebedsrichting volgen en zij volgen ook niet elkaars gebedsrichting. En als jij hun wensen had gevolgt, nadat je kennis hebt gekregen dan zou jij zeker tot de onrechtplegers behoren.
Walain atayta allatheena oetoe alkitaba bikulli ayatin ma tabiAAoe qiblataka wama anta bitabiAAin qiblatahum wama baAAduhum bitabiAAin qiblata baAAdin walaini ittabaAAta ahwaahum min baAAdi ma jaaka mina alAAilmi innaka ithan lamina aththalimeen
ٱلَّذِينَ ءَاتَيۡنَٰهُمُ ٱلۡكِتَٰبَ يَعۡرِفُونَهُۥ كَمَا يَعۡرِفُونَ أَبۡنَآءَهُمۡۖ وَإِنَّ فَرِيقٗا مِّنۡهُمۡ لَيَكۡتُمُونَ ٱلۡحَقَّ وَهُمۡ يَعۡلَمُونَ ١٤٦
Degenen die Wij het Schrift hebben gegeven kennen hem (Mohammed) zoals zij hun zonen kennen, waarlijk een deel van hen bedekt de Waarheid terwijl zij die kennen.
Allatheena ataynahumu alkitaba yaAArifoenahu kama yaAArifoena abnaahum wainna fareeqan minhum layaktumoena alhaqqa wahum yaAAlamoen
ٱلۡحَقُّ مِن رَّبِّكَ فَلَا تَكُونَنَّ مِنَ ٱلۡمُمۡتَرِينَ ١٤٧
Dit is de Waarheid van jullie Heer. Behoor dus niet bij degenen die twijfelen.
Alhaqqu min rabbika fala takoenanna mina almumtareen
وَلِكُلّٖ وِجۡهَةٌ هُوَ مُوَلِّيهَاۖ فَٱسۡتَبِقُواْ ٱلۡخَيۡرَٰتِۚ أَيۡنَ مَا تَكُونُواْ يَأۡتِ بِكُمُ ٱللَّهُ جَمِيعًاۚ إِنَّ ٱللَّهَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٞ ١٤٨
Voor ieder volk is een richting waar zij hun gezicht tot wenden. Haast jullie dus tot al wat goed is. Waar jullie ook zijn, Allah zal jullie samenbrengen. Waarlijk Allah is tot alle dingen in staat.
Walikullin wijhatun huwa muwalleeha fastabiqoe alkhayrati ayna ma takoenoe yati bikumu Allahu jameeAAan inna Allaha AAala kulli shayin qadeer
وَمِنۡ حَيۡثُ خَرَجۡتَ فَوَلِّ وَجۡهَكَ شَطۡرَ ٱلۡمَسۡجِدِ ٱلۡحَرَامِۖ وَإِنَّهُۥ لَلۡحَقُّ مِن رَّبِّكَۗ وَمَا ٱللَّهُ بِغَٰفِلٍ عَمَّا تَعۡمَلُونَ ١٤٩
En waar u uw gebeden ook begint, wendt uw gezicht in de richting van de Masdjied al-Haram, dat is zeker de waarheid van uw Heer. En Allah is niet onachtzaam van wat jullie doen.
Wamin haythu kharajta fawalli wajhaka shatra almasjidi alharami wainnahu lalhaqqu min rabbika wama Allahu bighafilin AAamma taAAmaloen
وَمِنۡ حَيۡثُ خَرَجۡتَ فَوَلِّ وَجۡهَكَ شَطۡرَ ٱلۡمَسۡجِدِ ٱلۡحَرَامِۚ وَحَيۡثُ مَا كُنتُمۡ فَوَلُّواْ وُجُوهَكُمۡ شَطۡرَهُۥ لِئَلَّا يَكُونَ لِلنَّاسِ عَلَيۡكُمۡ حُجَّةٌ إِلَّا ٱلَّذِينَ ظَلَمُواْ مِنۡهُمۡ فَلَا تَخۡشَوۡهُمۡ وَٱخۡشَوۡنِي وَلِأُتِمَّ نِعۡمَتِي عَلَيۡكُمۡ وَلَعَلَّكُمۡ تَهۡتَدُونَ ١٥٠
En waar jij je gebeden ook begint, wend je gezicht in de richting van de Masdjied al-Haram en waar jullie ook zijn, richt jullie er naartoe, zodat de mensen geen argumenten tegen jullie hebben, behalve degenen die zondaren zijn, vrees hen dus niet maar vrees Mij, opdat Ik Mijn gunst aan jullie zal vervolmaken. En hopelijk zullen jullie rechte Leiding volgen.
Wamin haythu kharajta fawalli wajhaka shatra almasjidi alharami wahaythu ma kuntum fawalloe wujoehakum shatrahu lialla yakoena linnasi AAalaykum hujjatun illa allatheena thalamoe minhum fala takhshawhum wakhshawnee waliotimma niAAmatee AAalaykum walaAAallakum tahtadoen
كَمَآ أَرۡسَلۡنَا فِيكُمۡ رَسُولٗا مِّنكُمۡ يَتۡلُواْ عَلَيۡكُمۡ ءَايَٰتِنَا وَيُزَكِّيكُمۡ وَيُعَلِّمُكُمُ ٱلۡكِتَٰبَ وَٱلۡحِكۡمَةَ وَيُعَلِّمُكُم مَّا لَمۡ تَكُونُواْ تَعۡلَمُونَ ١٥١
Zoals Wij een Boodschapper uit jullie midden zonden, die aan jullie Onze verzen reciteert, die jullie reinigt en jullie het Boek en de Wijsheid onderwijst en jullie leert wat jullie niet weten.
Kama arsalna feekum rasoelan minkum yatloe AAalaykum ayatina wayuzakkeekum wayuAAallimukumu alkitaba walhikmata wayuAAallimukum ma lam takoenoe taAAlamoen
فَٱذۡكُرُونِيٓ أَذۡكُرۡكُمۡ وَٱشۡكُرُواْ لِي وَلَا تَكۡفُرُونِ ١٥٢
Gedenk Mij (in jullie gebeden) daarom, dan zal Ik jullie gedenken, en wees Mij dankbaar (voor de gunsten door gehoorzaamheid) en wees Mij niet ondankbaar (door zondigheid).
Fathkuroenee athkurkum washkuroe lee wala takfuroen
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱسۡتَعِينُواْ بِٱلصَّبۡرِ وَٱلصَّلَوٰةِۚ إِنَّ ٱللَّهَ مَعَ ٱلصَّٰبِرِينَ ١٥٣
O jij die gelooft! Zoek hulp met geduld en gebed. Waarlijk. Allah is met de geduldigen.
Ya-ayyuha allatheena amanoe istaAAeenoe bissabri wassalati inna Allaha maAAa assabireen
وَلَا تَقُولُواْ لِمَن يُقۡتَلُ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ أَمۡوَٰتُۢۚ بَلۡ أَحۡيَآءٞ وَلَٰكِن لَّا تَشۡعُرُونَ ١٥٤
En zeg niet van degenen die op Allah’s weg zijn gedood: “Zij zijn dood.” Nee, zij leven, maar jullie beseffen (het) niet.
Wala taqoeloe liman yuqtalu fee sabeeli Allahi amwatun bal ahyaon walakin la tashAAuroen
وَلَنَبۡلُوَنَّكُم بِشَيۡءٖ مِّنَ ٱلۡخَوۡفِ وَٱلۡجُوعِ وَنَقۡصٖ مِّنَ ٱلۡأَمۡوَٰلِ وَٱلۡأَنفُسِ وَٱلثَّمَرَٰتِۗ وَبَشِّرِ ٱلصَّٰبِرِينَ ١٥٥
En waarlijk, Wij zullen jullie beproeven met iets van vrees en honger; (maar ook) verlies van rijkdommen, levens (tijdens veldslagen, de dood en ziektes) en vruchten (die voortvloeien uit jullie arbeid). Maar verkondig blijde tijdingen (van het Paradijs) aan de geduldigen,
Walanabluwannakum bishayin mina alkhawfi waljoeAAi wanaqsin mina alamwali walanfusi waththamarati wabashshiri assabireen
ٱلَّذِينَ إِذَآ أَصَٰبَتۡهُم مُّصِيبَةٞ قَالُوٓاْ إِنَّا لِلَّهِ وَإِنَّآ إِلَيۡهِ رَٰجِعُونَ ١٥٦
En als zij door een (beproevende) ramp worden getroffen, zeggen zij: “Waarlijk, het is aan Allah dat wij toebehoren (dus doet Hij met ons wat Hij wenst) en het is tot Hem dat wij zullen terugkeren (in het Hiernamaals).”
Allatheena itha asabathum museebatun qaloe inna lillahi wainna ilayhi rajiAAoen
أُوْلَٰٓئِكَ عَلَيۡهِمۡ صَلَوَٰتٞ مِّن رَّبِّهِمۡ وَرَحۡمَةٞۖ وَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡمُهۡتَدُونَ ١٥٧
Zij zijn degenen aan wie vergiffenis word geschonken door hun Heer, en die Zijn Genade (en gunsten) ontvangen. Zij zijn de rechtgeleiden.
Olaika AAalayhim salawatun min rabbihim warahmatun waolaika humu almuhtadoen
۞ إِنَّ ٱلصَّفَا وَٱلۡمَرۡوَةَ مِن شَعَآئِرِ ٱللَّهِۖ فَمَنۡ حَجَّ ٱلۡبَيۡتَ أَوِ ٱعۡتَمَرَ فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡهِ أَن يَطَّوَّفَ بِهِمَاۚ وَمَن تَطَوَّعَ خَيۡرٗا فَإِنَّ ٱللَّهَ شَاكِرٌ عَلِيمٌ ١٥٨
Waarlijk! Shafā en Marwah behoren tot de aan Allah gewijde Tekenen. Wie dan de Hadj of Omra verricht naar het Huis (de Ka’bah); het is geen zonde als hij tussen beide (Shafā en Marwah) loopt (tijdens de Sa’i). En ieder die vrijwillig goed doet, dan waarlijk, Allah is de Herkenner van alles, de Alwetende.
Inna assafa walmarwata min shaAAairi Allahi faman hajja albayta awi iAAtamara fala junaha AAalayhi an yattawwafa bihima waman tatawwaAAa khayran fainna Allaha shakirun AAaleem
إِنَّ ٱلَّذِينَ يَكۡتُمُونَ مَآ أَنزَلۡنَا مِنَ ٱلۡبَيِّنَٰتِ وَٱلۡهُدَىٰ مِنۢ بَعۡدِ مَا بَيَّنَّٰهُ لِلنَّاسِ فِي ٱلۡكِتَٰبِ أُوْلَٰٓئِكَ يَلۡعَنُهُمُ ٱللَّهُ وَيَلۡعَنُهُمُ ٱللَّٰعِنُونَ ١٥٩
Waarlijk, degenen die duidelijke bewijzen verhullen, en de aanwijzingen en de Leiding die Wij hebben neergezonden, nadat Wij het voor de mensen in het Boek duidelijk hebben gemaakt, zij zijn degenen die Allah vervloekt en vervloekt worden door de vervloekers.
Inna allatheena yaktumoena ma anzalna mina albayyinati walhuda min baAAdi ma bayyannahu linnasi fee alkitabi olaika yalAAanuhumu Allahu wayalAAanuhumu allaAAinoen
إِلَّا ٱلَّذِينَ تَابُواْ وَأَصۡلَحُواْ وَبَيَّنُواْ فَأُوْلَٰٓئِكَ أَتُوبُ عَلَيۡهِمۡ وَأَنَا ٱلتَّوَّابُ ٱلرَّحِيمُ ١٦٠
Behalve degenen die berouw hebben getoond en zich beteren en openlijk de Waarheid verklaren. Van deze zal Ik het berouw aanvaarden. En Ik ben degene Die het berouw aanvaard, de Genadevolle.
Illa allatheena taboe waaslahoe wabayyanoe faolaika atoebu AAalayhim waana attawwabu arraheem
إِنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ وَمَاتُواْ وَهُمۡ كُفَّارٌ أُوْلَٰٓئِكَ عَلَيۡهِمۡ لَعۡنَةُ ٱللَّهِ وَٱلۡمَلَٰٓئِكَةِ وَٱلنَّاسِ أَجۡمَعِينَ ١٦١
Waarlijk, degenen die ongelovig zijn en sterven als zij ongelovig zijn, op hen ligt de vloek van Allah en van de engelen en mensheid samen.
Inna allatheena kafaroe wamatoe wahum kuffarun olaika AAalayhim laAAnatu Allahi walmalaikati wannasi ajmaAAeen
خَٰلِدِينَ فِيهَا لَا يُخَفَّفُ عَنۡهُمُ ٱلۡعَذَابُ وَلَا هُمۡ يُنظَرُونَ ١٦٢
Zij zullen daarin verblijven (onder de vervloeking van de Hel) en hun bestraffing zal niet verlicht worden, noch zal hun uitstel worden verleend.
Khalideena feeha la yukhaffafu AAanhumu alAAathabu wala hum yuntharoen
وَإِلَٰهُكُمۡ إِلَٰهٞ وَٰحِدٞۖ لَّآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ ٱلرَّحۡمَٰنُ ٱلرَّحِيمُ ١٦٣
En jullie god is één God, er is geen god buiten Hem die het recht tot aanbidding heeft behalve Hij, de Barmhartigste, de Genadevolle.
Wailahukum ilahun wahidun la ilaha illa huwa arrahmanu arraheem
إِنَّ فِي خَلۡقِ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ وَٱخۡتِلَٰفِ ٱلَّيۡلِ وَٱلنَّهَارِ وَٱلۡفُلۡكِ ٱلَّتِي تَجۡرِي فِي ٱلۡبَحۡرِ بِمَا يَنفَعُ ٱلنَّاسَ وَمَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ مِنَ ٱلسَّمَآءِ مِن مَّآءٖ فَأَحۡيَا بِهِ ٱلۡأَرۡضَ بَعۡدَ مَوۡتِهَا وَبَثَّ فِيهَا مِن كُلِّ دَآبَّةٖ وَتَصۡرِيفِ ٱلرِّيَٰحِ وَٱلسَّحَابِ ٱلۡمُسَخَّرِ بَيۡنَ ٱلسَّمَآءِ وَٱلۡأَرۡضِ لَأٓيَٰتٖ لِّقَوۡمٖ يَعۡقِلُونَ ١٦٤
Waarlijk! In de schepping van de hemelen en de aarde, in de afwisseling van de nacht en de dag, en de schepen die op zee zeilen en die tot nut van de mensheid zijn, en het water dat Allah uit de hemel neerzendt waarmee Hij de" aarde tot leven brengt, na haar dood. En dat Hij daarop allerlei dieren verspreidde, en de besturing van de winden en de wolken die tussen de hemel en de aarde dienstbaar zijn gemaakt, zijn zeker Tekenen voor de mensen met verstand.
Inna fee khalqi assamawati walardi wakhtilafi allayli wannahari walfulki allatee tajree fee albahri bima yanfaAAu annasa wama anzala Allahu mina assamai min main faahya bihi alarda baAAda mawtiha wabaththa feeha min kulli dabbatin watasreefi arriyahi wassahabi almusakhkhari bayna assamai walardi laayatin liqawmin yaAAqiloen
وَمِنَ ٱلنَّاسِ مَن يَتَّخِذُ مِن دُونِ ٱللَّهِ أَندَادٗا يُحِبُّونَهُمۡ كَحُبِّ ٱللَّهِۖ وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ أَشَدُّ حُبّٗا لِّلَّهِۗ وَلَوۡ يَرَى ٱلَّذِينَ ظَلَمُوٓاْ إِذۡ يَرَوۡنَ ٱلۡعَذَابَ أَنَّ ٱلۡقُوَّةَ لِلَّهِ جَمِيعٗا وَأَنَّ ٱللَّهَ شَدِيدُ ٱلۡعَذَابِ ١٦٥
En van de mensheid zijn er die anderen naast Allah als deelgenoten aannemen. Zij houden van hen zoals zij van Allah houden. Maar degenen die geloven houden meer van Allah. Als degenen die onrecht pleegden zouden weten, wanneer zij de bestraffing zien, (dan zouden zij weten) dat alle macht aan Allah toebehoort en dat Allah streng is in de bestraffing.
Wamina annasi man yattakhithu min doeni Allahi andadan yuhibboenahum kahubbi Allahi wallatheena amanoe ashaddu hubban lillahi walaw yara allatheena thalamoe ith yarawna alAAathaba anna alquwwata lillahi jameeAAan waanna Allaha shadeedu alAAathab
إِذۡ تَبَرَّأَ ٱلَّذِينَ ٱتُّبِعُواْ مِنَ ٱلَّذِينَ ٱتَّبَعُواْ وَرَأَوُاْ ٱلۡعَذَابَ وَتَقَطَّعَتۡ بِهِمُ ٱلۡأَسۡبَابُ ١٦٦
Als degenen die gevolgd werden zich los verklaren van degenen die hen volgen; en zij de bestraffing zien, dan zullen alle relaties met hen worden verbroken.
Ith tabarraa allatheena ittubiAAoe mina allatheena ittabaAAoe waraawoe alAAathaba wataqattaAAat bihimu alasbab
وَقَالَ ٱلَّذِينَ ٱتَّبَعُواْ لَوۡ أَنَّ لَنَا كَرَّةٗ فَنَتَبَرَّأَ مِنۡهُمۡ كَمَا تَبَرَّءُواْ مِنَّاۗ كَذَٰلِكَ يُرِيهِمُ ٱللَّهُ أَعۡمَٰلَهُمۡ حَسَرَٰتٍ عَلَيۡهِمۡۖ وَمَا هُم بِخَٰرِجِينَ مِنَ ٱلنَّارِ ١٦٧
En degenen die volgden zeiden: Was er voor ons nog maar één keer (de gelegenheid om naar de aarde terug te keren), dan zouden wij ons los verklaren van hen, zoals zij zich van ons los verklaarden.” Zo laat Allah hun hun daden zien, als een bron van spijt voor hen. En zij zullen het Vuur nooit verlaten.
Waqala allatheena ittabaAAoe law anna lana karratan fanatabarraa minhum kama tabarraoe minna kathalika yureehimu Allahu aAAmalahum hasaratin AAalayhim wama hum bikharijeena mina annar
يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ كُلُواْ مِمَّا فِي ٱلۡأَرۡضِ حَلَٰلٗا طَيِّبٗا وَلَا تَتَّبِعُواْ خُطُوَٰتِ ٱلشَّيۡطَٰنِۚ إِنَّهُۥ لَكُمۡ عَدُوّٞ مُّبِينٌ ١٦٨
O jullie mensen! Eet op aarde van al wat toegestaan en gezond is, en treedt niet in de voetstappen van Satan, hij is voor jullie een duidelijke vijand.
Ya-ayyuha annasu kuloe mimma fee alardi halalan tayyiban wala tattabiAAoe khutuwati ashshaytani innahu lakum AAaduwwun mubeen
إِنَّمَا يَأۡمُرُكُم بِٱلسُّوٓءِ وَٱلۡفَحۡشَآءِ وَأَن تَقُولُواْ عَلَى ٱللَّهِ مَا لَا تَعۡلَمُونَ ١٦٩
Waarlijk, (Satan) beveelt jullie slechts het kwade en onzedelijke, en (wil) dat jullie over Allah zeggen wat jullie niet weten.
Innama yamurukum bissoei walfahshai waan taqoeloe AAala Allahi ma la taAAlamoen
وَإِذَا قِيلَ لَهُمُ ٱتَّبِعُواْ مَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ قَالُواْ بَلۡ نَتَّبِعُ مَآ أَلۡفَيۡنَا عَلَيۡهِ ءَابَآءَنَآۚ أَوَلَوۡ كَانَ ءَابَآؤُهُمۡ لَا يَعۡقِلُونَ شَيۡـٔٗا وَلَا يَهۡتَدُونَ ١٧٠
Als er tegen hen gezegd wordt: “Volg wat Allah heeft neergezonden.” Zeggen zij: “Nee! Wij zullen volgen wat onze vaders gevolgd hebben.” Zelfs al hadden hun vaders in het geheel geen verstand en volgden zij ook de rechte weg niet?
Waitha qeela lahumu ittabiAAoe ma anzala Allahu qaloe bal nattabiAAu ma alfayna AAalayhi abaana awalaw kana abaohum la yaAAqiloena shayan wala yahtadoen
وَمَثَلُ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ كَمَثَلِ ٱلَّذِي يَنۡعِقُ بِمَا لَا يَسۡمَعُ إِلَّا دُعَآءٗ وَنِدَآءٗۚ صُمُّۢ بُكۡمٌ عُمۡيٞ فَهُمۡ لَا يَعۡقِلُونَ ١٧١
En de gelijkenis van degenen die ongelovig zijn is als de gelijkenis met degene (een herder) die roept naar iets wat niet luistert, behalve naar een roep of een "schreeuw. Zij zijn doof, stom en blind. Daarom begrijpen zij niet.
Wamathalu allatheena kafaroe kamathali allathee yanAAiqu bima la yasmaAAu illa duAAaan wanidaan summun bukmun AAumyun fahum la yaAAqiloen
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ كُلُواْ مِن طَيِّبَٰتِ مَا رَزَقۡنَٰكُمۡ وَٱشۡكُرُواْ لِلَّهِ إِن كُنتُمۡ إِيَّاهُ تَعۡبُدُونَ ١٧٢
O jullie die geloven! Eet van de wettige zaken waarmee Wij jullie voorzien hebben en wees Allah dankbaar, als Hij alleen het is Die jullie aanbidden.
Ya-ayyuha allatheena amanoe kuloe min tayyibati ma razaqnakum washkuroe lillahi in kuntum iyyahu taAAbudoen
إِنَّمَا حَرَّمَ عَلَيۡكُمُ ٱلۡمَيۡتَةَ وَٱلدَّمَ وَلَحۡمَ ٱلۡخِنزِيرِ وَمَآ أُهِلَّ بِهِۦ لِغَيۡرِ ٱللَّهِۖ فَمَنِ ٱضۡطُرَّ غَيۡرَ بَاغٖ وَلَا عَادٖ فَلَآ إِثۡمَ عَلَيۡهِۚ إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٌ ١٧٣
Hij heeft slechts voor jullie verboden de dode dieren (het niet-ritueel geslachte), het bloed, het vlees van het varken en dat waarover (bij het slachten) een andere naam dan die van Allah is uitgesproken. Maar wie door nood gedwongen is, zonder dat hij het wenst, noch om de grenzen te overtreden, dan is het voor hem geen zonde. Waarlijk, Allah is de vaak Vergevende, de Genadevolle.
Innama harrama AAalaykumu almaytata waddama walahma alkhinzeeri wama ohilla bihi lighayri Allahi famani idturra ghayra baghin wala AAadin fala ithma AAalayhi inna Allaha ghafoerun raheem
إِنَّ ٱلَّذِينَ يَكۡتُمُونَ مَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ مِنَ ٱلۡكِتَٰبِ وَيَشۡتَرُونَ بِهِۦ ثَمَنٗا قَلِيلًا أُوْلَٰٓئِكَ مَا يَأۡكُلُونَ فِي بُطُونِهِمۡ إِلَّا ٱلنَّارَ وَلَا يُكَلِّمُهُمُ ٱللَّهُ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَلَا يُزَكِّيهِمۡ وَلَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٌ ١٧٤
Waarlijk, degenen die verbergen wat Allah van het Boek heeft neergezonden en een kleine winst daarvan krijgen, vullen hun buiken met niets anders dan vuur. Allah zal op de Dag der Opstanding niet tot hen spreken en Hij zal hen niet reinigen en voor hen is er een pijnlijke bestraffing.
Inna allatheena yaktumoena ma anzala Allahu mina alkitabi wayashtaroena bihi thamanan qaleelan olaika ma yakuloena fee butoenihim illa annara wala yukallimuhumu Allahu yawma alqiyamati wala yuzakkeehim walahum AAathabun aleem
أُوْلَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ ٱشۡتَرَوُاْ ٱلضَّلَٰلَةَ بِٱلۡهُدَىٰ وَٱلۡعَذَابَ بِٱلۡمَغۡفِرَةِۚ فَمَآ أَصۡبَرَهُمۡ عَلَى ٱلنَّارِ ١٧٥
Zij zijn degenen die de Leiding hebben verruild voor de dwaling en de vergiffenis voor de bestraffing. Hoe dapper zijn zij nu in het vuur!
Walaw annahum amanoe wattaqaw lamathoebatun min AAindi Allahi khayrun law kanoe yaAAlamoen
ذَٰلِكَ بِأَنَّ ٱللَّهَ نَزَّلَ ٱلۡكِتَٰبَ بِٱلۡحَقِّۗ وَإِنَّ ٱلَّذِينَ ٱخۡتَلَفُواْ فِي ٱلۡكِتَٰبِ لَفِي شِقَاقِۭ بَعِيدٖ ١٧٦
Dat is omdat Allah het Boek met de Waarheid heeft neergezonden. En waarlijk degenen die redetwisten over het Boek zijn in grote verdeeldheid.
Thalika bianna Allaha nazzala alkitaba bilhaqqi wainna allatheena ikhtalafoe fee alkitabi lafee shiqaqin baAAeed
۞ لَّيۡسَ ٱلۡبِرَّ أَن تُوَلُّواْ وُجُوهَكُمۡ قِبَلَ ٱلۡمَشۡرِقِ وَٱلۡمَغۡرِبِ وَلَٰكِنَّ ٱلۡبِرَّ مَنۡ ءَامَنَ بِٱللَّهِ وَٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِ وَٱلۡمَلَٰٓئِكَةِ وَٱلۡكِتَٰبِ وَٱلنَّبِيِّـۧنَ وَءَاتَى ٱلۡمَالَ عَلَىٰ حُبِّهِۦ ذَوِي ٱلۡقُرۡبَىٰ وَٱلۡيَتَٰمَىٰ وَٱلۡمَسَٰكِينَ وَٱبۡنَ ٱلسَّبِيلِ وَٱلسَّآئِلِينَ وَفِي ٱلرِّقَابِ وَأَقَامَ ٱلصَّلَوٰةَ وَءَاتَى ٱلزَّكَوٰةَ وَٱلۡمُوفُونَ بِعَهۡدِهِمۡ إِذَا عَٰهَدُواْۖ وَٱلصَّٰبِرِينَ فِي ٱلۡبَأۡسَآءِ وَٱلضَّرَّآءِ وَحِينَ ٱلۡبَأۡسِۗ أُوْلَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ صَدَقُواْۖ وَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡمُتَّقُونَ ١٧٧
Het is niet vroomheid dat jullie je gezichten naar het Oosten en (of) het Westen wenden, maar vroomheid is (het niveau) van degene die in Allah gelooft, in de Laatste Dag, de engelen, het Boek, de Profeten en zijn rijkdommen geeft ondanks de liefde daarvoor, aan zijn verwanten, aan de wezen en aan de armen die bedelen en aan de reiziger en aan degenen die daarom vragen en die slaven bevrijden en de gebeden volmaakt verrichten en de zakaat betalen en die hun belofte nakomen nadat zij dat overeengekomen zijn, en die in uitzonderlijke" armoede en tijdens ziekten en gevechten geduldig zijn. Dit zijn de mensen van de Waarheid en zij zijn de godvrezenden.
Laysa albirra an tuwalloe wujoehakum qibala almashriqi walmaghribi walakinna albirra man amana billahi walyawmi alakhiri walmalaikati walkitabi wannabiyyeena waata almala AAala hubbihi thawee alqurba walyatama walmasakeena wabna alssabeeli wassaileena wafee arriqabi waaqama assalata waata azzakata walmoefoena biAAahdihim itha AAahadoe wassabireena fee albasai waddarrai waheena albasi olaika allatheena sadaqoe waolaika humu almuttaqoen
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ كُتِبَ عَلَيۡكُمُ ٱلۡقِصَاصُ فِي ٱلۡقَتۡلَىۖ ٱلۡحُرُّ بِٱلۡحُرِّ وَٱلۡعَبۡدُ بِٱلۡعَبۡدِ وَٱلۡأُنثَىٰ بِٱلۡأُنثَىٰۚ فَمَنۡ عُفِيَ لَهُۥ مِنۡ أَخِيهِ شَيۡءٞ فَٱتِّبَاعُۢ بِٱلۡمَعۡرُوفِ وَأَدَآءٌ إِلَيۡهِ بِإِحۡسَٰنٖۗ ذَٰلِكَ تَخۡفِيفٞ مِّن رَّبِّكُمۡ وَرَحۡمَةٞۗ فَمَنِ ٱعۡتَدَىٰ بَعۡدَ ذَٰلِكَ فَلَهُۥ عَذَابٌ أَلِيمٞ ١٧٨
O jullie die geloven! De (gelijke) vergelding inzake doodslag is jullie voorgeschreven in het geval van moord: een vrije voor een vrije, een slaaf voor een slaaf en een vrouw voor een vrouw. Maar als iemand kwijtschelding van zijn broeder ontvangt, laat het dan gevolgd worden door een redelijke (eis van de eiser) en genoegdoening voor hem op een goede (manier, van de schuldige). Dit is een verlichting en een genade van jullie Heer. Als daarna nog iemand de grenzen overtreedt, zal hij een pijnlijke bestraffing krijgen.
Ya-ayyuha allatheena amanoe kutiba AAalaykumu alqisasu fee alqatla alhurru bilhurri walAAabdu bilAAabdi walontha bilontha faman AAufiya lahu min akheehi shayon fattibaAAun bilmaAAroefi waadaon ilayhi biihsanin thalika takhfeefun min rabbikum warahmatun famani iAAtada baAAda thalika falahu AAathabun aleem
وَلَكُمۡ فِي ٱلۡقِصَاصِ حَيَوٰةٞ يَٰٓأُوْلِي ٱلۡأَلۡبَٰبِ لَعَلَّكُمۡ تَتَّقُونَ ١٧٩
En in de vergelding is (het sparen van) een leven, o mensen van begrip, dat jullie godvrezend zullen worden
Walakum fee alqisasi hayatun ya-olee alalbabi laAAallakum tattaqoen
كُتِبَ عَلَيۡكُمۡ إِذَا حَضَرَ أَحَدَكُمُ ٱلۡمَوۡتُ إِن تَرَكَ خَيۡرًا ٱلۡوَصِيَّةُ لِلۡوَٰلِدَيۡنِ وَٱلۡأَقۡرَبِينَ بِٱلۡمَعۡرُوفِۖ حَقًّا عَلَى ٱلۡمُتَّقِينَ ١٨٠
Het is jullie verplicht wanneer de dood één van jullie nabij is, als hij bezit nalaat, hij op een redelijke manier een testament voor zijn ouders en naaste verwanten maakt. (Dit is) een plicht voor de godvrezenden.
Kutiba AAalaykum itha hadara ahadakumu almawtu in taraka khayran alwasiyyatu lilwalidayni walaqrabeena bilmaAAroefi haqqan AAala almuttaqeen
فَمَنۢ بَدَّلَهُۥ بَعۡدَ مَا سَمِعَهُۥ فَإِنَّمَآ إِثۡمُهُۥ عَلَى ٱلَّذِينَ يُبَدِّلُونَهُۥٓۚ إِنَّ ٱللَّهَ سَمِيعٌ عَلِيمٞ ١٨١
Als iemand het testament dan verandert, nadat hij het gehoord heeft, zal de zonde zijn bij degenen die de verandering maakten. Waarlijk, Allah is de Alhorende, de Alwetende.
Faman baddalahu baAAda ma samiAAahu fainnama ithmuhu AAala allatheena yubaddiloenahu inna Allaha sameeAAun AAaleem
فَمَنۡ خَافَ مِن مُّوصٖ جَنَفًا أَوۡ إِثۡمٗا فَأَصۡلَحَ بَيۡنَهُمۡ فَلَآ إِثۡمَ عَلَيۡهِۚ إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ١٨٢
Maar hij die bang is dat de maker van het testament onrechtmatig handelt of iets verkeerd doet, en daarna vrede sluit tussen de betreffende partijen, zal geen zonde gepleegd hebben. Zeker, Allah is de Meest Vergevende, de Genadevolle.
Faman khafa min moesin janafan aw ithman faaslaha baynahum fala ithma AAalayhi inna Allaha ghafoerun raheem
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ كُتِبَ عَلَيۡكُمُ ٱلصِّيَامُ كَمَا كُتِبَ عَلَى ٱلَّذِينَ مِن قَبۡلِكُمۡ لَعَلَّكُمۡ تَتَّقُونَ ١٨٣
O jullie die geloven! Het vasten is jullie verplicht, zoals het ook verplicht was voor degenen die vóór jullie waren, hopelijk zullen jullie Allah vrezen.
Ya-ayyuha allatheena amanoe kutiba AAalaykumu assiyamu kama kutiba AAala allatheena min qablikum laAAallakum tattaqoen
أَيَّامٗا مَّعۡدُودَٰتٖۚ فَمَن كَانَ مِنكُم مَّرِيضًا أَوۡ عَلَىٰ سَفَرٖ فَعِدَّةٞ مِّنۡ أَيَّامٍ أُخَرَۚ وَعَلَى ٱلَّذِينَ يُطِيقُونَهُۥ فِدۡيَةٞ طَعَامُ مِسۡكِينٖۖ فَمَن تَطَوَّعَ خَيۡرٗا فَهُوَ خَيۡرٞ لَّهُۥۚ وَأَن تَصُومُواْ خَيۡرٞ لَّكُمۡ إِن كُنتُمۡ تَعۡلَمُونَ ١٨٤
(Vast) het bepaald aantal dagen (van Ramadan) Maar als één van jullie ziek is of zich op reis bevindt, dan kan hetzelfde aantal dagen worden ingehaald op andere dagen. Er is een losprijs voor degenen die niet kunnen vasten (door ouderdom ziekte of reizen). Zo hoort men voor elke gegeten dag een arme te voeden. Maar diegene die meer doet (dan slechts de aflossing), weet dat dit beter is voor hem. En dat jullie vasten (i.p.v. te eten en nadien te moeten aflossen) is beter voor jullie, als jullie dat maar weten.
Ayyaman maAAdoedatin faman kana minkum mareedan aw AAala safarin faAAiddatun min ayyamin okhara waAAala allatheena yuteeqoenahu fidyatun taAAamu miskeenin faman tatawwaAAa khayran fahuwa khayrun lahu waan tasoemoe khayrun lakum in kuntum taAAlamoen
شَهۡرُ رَمَضَانَ ٱلَّذِيٓ أُنزِلَ فِيهِ ٱلۡقُرۡءَانُ هُدٗى لِّلنَّاسِ وَبَيِّنَٰتٖ مِّنَ ٱلۡهُدَىٰ وَٱلۡفُرۡقَانِۚ فَمَن شَهِدَ مِنكُمُ ٱلشَّهۡرَ فَلۡيَصُمۡهُۖ وَمَن كَانَ مَرِيضًا أَوۡ عَلَىٰ سَفَرٖ فَعِدَّةٞ مِّنۡ أَيَّامٍ أُخَرَۗ يُرِيدُ ٱللَّهُ بِكُمُ ٱلۡيُسۡرَ وَلَا يُرِيدُ بِكُمُ ٱلۡعُسۡرَ وَلِتُكۡمِلُواْ ٱلۡعِدَّةَ وَلِتُكَبِّرُواْ ٱللَّهَ عَلَىٰ مَا هَدَىٰكُمۡ وَلَعَلَّكُمۡ تَشۡكُرُونَ ١٨٥
Ramaḍan is de maand waarin de Koran werd geopenbaard als een gids voor de mensheid met duidelijke bewijzen van leiding en de standaard om onderscheid te maken tussen goed en kwaad. Dus wie van jullie de nieuwe maan (van de eerste nacht) van de maand Ramadan ziet, moet die maand vasten en iedereen die ziek of op reis is, moet hetzelfde aantal dagen inhalen op andere dagen. Allah wenst voor jullie het gemakkelijke en Hij wenst niet voor jullie het ongemak. En maakt het aantal (dagen) vol en prijs Allah’s Grootheid omdat Hij jullie leiding schonk, hopelijk zullen jullie dankbaar zijn.
Shahru ramadana allathee onzila feehi alquranu hudan linnasi wabayyinatin mina alhuda walfurqani faman shahida minkumu ashshahra falyasumhu waman kana mareedan aw AAala safarin faAAiddatun min ayyamin okhara yureedu Allahu bikumu alyusra wala yureedu bikumu alAAusra walitukmiloe alAAiddata walitukabbiroe Allaha AAala ma hadakum walaAAallakum tashkuroen
وَإِذَا سَأَلَكَ عِبَادِي عَنِّي فَإِنِّي قَرِيبٌۖ أُجِيبُ دَعۡوَةَ ٱلدَّاعِ إِذَا دَعَانِۖ فَلۡيَسۡتَجِيبُواْ لِي وَلۡيُؤۡمِنُواْ بِي لَعَلَّهُمۡ يَرۡشُدُونَ ١٨٦
En wanneer Mijn dienaren jou (O Mohammed) over Mij ondervragen (aangaande de manier van aanroeping), antwoord hen dan dat Ik (de Alhorende) nabij ben (d.m.v. Mijn allesomvattende kennis). (Dus alleen) Ik verhoor de smeekbeden van de aanbidder wanneer hij Mij aanroept. Laat hen dus Mij gehoorzamen en in Mij geloven, zodat velen recht geleid zullen zijn.
Waitha saalaka AAibadee AAannee fainnee qareebun ojeebu daAAwata addaAAi itha daAAani falyastajeeboe lee walyuminoe bee laAAallahum yarshudoen
أُحِلَّ لَكُمۡ لَيۡلَةَ ٱلصِّيَامِ ٱلرَّفَثُ إِلَىٰ نِسَآئِكُمۡۚ هُنَّ لِبَاسٞ لَّكُمۡ وَأَنتُمۡ لِبَاسٞ لَّهُنَّۗ عَلِمَ ٱللَّهُ أَنَّكُمۡ كُنتُمۡ تَخۡتَانُونَ أَنفُسَكُمۡ فَتَابَ عَلَيۡكُمۡ وَعَفَا عَنكُمۡۖ فَٱلۡـَٰٔنَ بَٰشِرُوهُنَّ وَٱبۡتَغُواْ مَا كَتَبَ ٱللَّهُ لَكُمۡۚ وَكُلُواْ وَٱشۡرَبُواْ حَتَّىٰ يَتَبَيَّنَ لَكُمُ ٱلۡخَيۡطُ ٱلۡأَبۡيَضُ مِنَ ٱلۡخَيۡطِ ٱلۡأَسۡوَدِ مِنَ ٱلۡفَجۡرِۖ ثُمَّ أَتِمُّواْ ٱلصِّيَامَ إِلَى ٱلَّيۡلِۚ وَلَا تُبَٰشِرُوهُنَّ وَأَنتُمۡ عَٰكِفُونَ فِي ٱلۡمَسَٰجِدِۗ تِلۡكَ حُدُودُ ٱللَّهِ فَلَا تَقۡرَبُوهَاۗ كَذَٰلِكَ يُبَيِّنُ ٱللَّهُ ءَايَٰتِهِۦ لِلنَّاسِ لَعَلَّهُمۡ يَتَّقُونَ ١٨٧
Het is jullie in de nachten van het vasten toegestaan om (sexuele) omgang te hebben met jullie vrouwen (d.w.z. tot het eerste gebed: dan begint het vasten weer). Zij zijn (als) kleding voor jullie en jullie zijn (als) kleding voor hen (om elkaars lichamelijke en geestelijke behoeften te bevredigen, zodat er geen ontsporingen zullen plaatsvinden). Allah wist dat jullie jezelf bedrogen. Hij aanvaardde jullie berouw en vergaf jullie. Nu mogen jullie dan omgang met hen hebben (met jullie vrouwen tijdens de nachten van Ramadan) en zoek naar datgene Allah voor jullie heeft bepaald. En eet en drink totdat bij de dageraad de witte draad en de zwarte draad voor jullie te onderscheiden is. Maakt daarna het vasten vol tot zonsondergang. En heb geen omgang met hen als jullie jezelf geheel afzonderen voor gebeden en smeekbedes in de moskee en de wereldlijke activiteiten achter je laat. Dit zijn de grenzen van Allah, nader deze daarom niet. Allah maakt Zijn Tekenen aan de mensheid duidelijk, zodat zij godvrezend kunnen worden.
Ohilla lakum laylata assiyami arrafathu ila nisaikum hunna libasun lakum waantum libasun lahunna AAalima Allahu annakum kuntum takhtanoena anfusakum fataba AAalaykum waAAafa AAankum falana bashiroehunna wabtaghoe ma kataba Allahu lakum wakuloe washraboe hatta yatabayyana lakumu alkhaytu alabyadu mina alkhayti alaswadi mina alfajri thumma atimmoe assiyama ila allayli wala tubashiroehunna waantum AAakifoena fee almasajidi tilka hudoedu Allahi fala taqraboeha kathalika yubayyinu Allahu ayatihi linnasi laAAallahum yattaqoen
وَلَا تَأۡكُلُوٓاْ أَمۡوَٰلَكُم بَيۡنَكُم بِٱلۡبَٰطِلِ وَتُدۡلُواْ بِهَآ إِلَى ٱلۡحُكَّامِ لِتَأۡكُلُواْ فَرِيقٗا مِّنۡ أَمۡوَٰلِ ٱلنَّاسِ بِٱلۡإِثۡمِ وَأَنتُمۡ تَعۡلَمُونَ ١٨٨
En eet niet onderling van jullie bezittingen op onrechtmatig wijze en geef geen omkoopsommen aan de heersers. Dat jullie willens en wetens een deel van de bezittingen van een ander opeten is zondig.
Wala takuloe amwalakum baynakum bilbatili watudloe biha ila alhukkami litakuloe fareeqan min amwali annasi bilithmi waantum taAAlamoen
۞ يَسۡـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلۡأَهِلَّةِۖ قُلۡ هِيَ مَوَٰقِيتُ لِلنَّاسِ وَٱلۡحَجِّۗ وَلَيۡسَ ٱلۡبِرُّ بِأَن تَأۡتُواْ ٱلۡبُيُوتَ مِن ظُهُورِهَا وَلَٰكِنَّ ٱلۡبِرَّ مَنِ ٱتَّقَىٰۗ وَأۡتُواْ ٱلۡبُيُوتَ مِنۡ أَبۡوَٰبِهَاۚ وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ لَعَلَّكُمۡ تُفۡلِحُونَ ١٨٩
Zij vragen jou (Mohammed) over de nieuwe manen. Zeg: “Het zijn tijdsaanduidingen voor de mensen en (voor het vaststellen van) de bedevaart (Haddj). Het is niet vroom dat jullie de huizen van de achterkant binnengaan, vroom zijn zij die Allah vrezen en die de huizen binnengaan door hun deuren. En vrees Allah zodat jullie succes mogen hebben.
Yasaloenaka AAani alahillati qul hiya mawaqeetu linnasi walhajji walaysa albirru bian tatoe albuyoeta min thuhoeriha walakinna albirra mani ittaqa watoe albuyoeta min abwabiha wattaqoe Allaha laAAallakum tuflihoen
وَقَٰتِلُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ ٱلَّذِينَ يُقَٰتِلُونَكُمۡ وَلَا تَعۡتَدُوٓاْۚ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يُحِبُّ ٱلۡمُعۡتَدِينَ ١٩٠
(Zuiver je intentie om Allah’s woord te verheffen) en strijd op het Pad van Allah (dat naar Zijn tevredenheid leidt) tegen degenen die tegen jullie strijden, maar overtreedt de grenzen niet (door ook hun vrouwen en kinderen het leven te ontnemen). Waarlijk, Allah houdt niet van de overtreders.
Waqatiloe fee sabeeli Allahi allatheena yuqatiloenakum wala taAAtadoe inna Allaha la yuhibbu almuAAtadeen
وَٱقۡتُلُوهُمۡ حَيۡثُ ثَقِفۡتُمُوهُمۡ وَأَخۡرِجُوهُم مِّنۡ حَيۡثُ أَخۡرَجُوكُمۡۚ وَٱلۡفِتۡنَةُ أَشَدُّ مِنَ ٱلۡقَتۡلِۚ وَلَا تُقَٰتِلُوهُمۡ عِندَ ٱلۡمَسۡجِدِ ٱلۡحَرَامِ حَتَّىٰ يُقَٰتِلُوكُمۡ فِيهِۖ فَإِن قَٰتَلُوكُمۡ فَٱقۡتُلُوهُمۡۗ كَذَٰلِكَ جَزَآءُ ٱلۡكَٰفِرِينَ ١٩١
En doodt hen, waar jullie hen ook aantreffen, en verdrijft hen waar zij jullie hebben verdreven. En Fitnah is erger dan moorden (hier betekent Fitna “sjirk’; afgoderij). En bevecht hen niet in Al-Masjied al-Haram tenzij zij eerst tegen jullie "vechten. Maar als zij jullie aanvallen, doodt hen dan. Zo is de vergelding van de ongelovigen.
Waqtuloehum haythu thaqiftumoehum waakhrijoehum min haythu akhrajoekum walfitnatu ashaddu mina alqatli wala tuqatiloehum AAinda almasjidi alharami hatta yuqatiloekum feehi fain qataloekum faqtuloehum kathalika jazao alkafireen
فَإِنِ ٱنتَهَوۡاْ فَإِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ١٩٢
Maar als zij zich overgeven, dan is Allah de Alvergevende, de Genadevolle.
Faini intahaw fainna Allaha ghafoerun raheem
وَقَٰتِلُوهُمۡ حَتَّىٰ لَا تَكُونَ فِتۡنَةٞ وَيَكُونَ ٱلدِّينُ لِلَّهِۖ فَإِنِ ٱنتَهَوۡاْ فَلَا عُدۡوَٰنَ إِلَّا عَلَى ٱلظَّٰلِمِينَ ١٩٣
En bestrijdt hen totdat er geen Fitnah (ongeloof en polytheïsme) meer is en dat (alle) aanbidding voor Allah (alléén) is. Maar als zij zich overgeven laat er dan geen overschrijding zijn behalve tegen de onrechtvaardigen.
Waqatiloehum hatta la takoena fitnatun wayakoena addeenu lillahi faini intahaw fala AAudwana illa AAala aththalimeen
ٱلشَّهۡرُ ٱلۡحَرَامُ بِٱلشَّهۡرِ ٱلۡحَرَامِ وَٱلۡحُرُمَٰتُ قِصَاصٞۚ فَمَنِ ٱعۡتَدَىٰ عَلَيۡكُمۡ فَٱعۡتَدُواْ عَلَيۡهِ بِمِثۡلِ مَا ٱعۡتَدَىٰ عَلَيۡكُمۡۚ وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ مَعَ ٱلۡمُتَّقِينَ ١٩٤
De heilige maand is voor de heilige maand en voor de verboden zaken is er de Wet van Gelijkheid. Wie dan ook (tijdens de verboden maanden) in overtreding is met jullie (door jullie te bestrijden), beantwoord hun (overtreding) dan in gelijke mate. En vrees Allah en weet dat Allah met de godvrezenden is.
Ashshahru alharamu bishshahri alharami walhurumatu qisasun famani iAAtada AAalaykum faAAtadoe AAalayhi bimithli ma iAAtada AAalaykum wattaqoe Allaha waAAlamoe anna Allaha maAAa almuttaqeen
وَأَنفِقُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ وَلَا تُلۡقُواْ بِأَيۡدِيكُمۡ إِلَى ٱلتَّهۡلُكَةِ وَأَحۡسِنُوٓاْۚ إِنَّ ٱللَّهَ يُحِبُّ ٱلۡمُحۡسِنِينَ ١٩٥
En besteedt voor Allah’s zaak en werp jezelf niet in de vernieling en verricht goede daden. Waarlijk, Allah heeft weldoeners lief.
Waanfiqoe fee sabeeli Allahi wala tulqoe biaydeekum ila attahlukati waahsinoe inna Allaha yuhibbu almuhsineen
وَأَتِمُّواْ ٱلۡحَجَّ وَٱلۡعُمۡرَةَ لِلَّهِۚ فَإِنۡ أُحۡصِرۡتُمۡ فَمَا ٱسۡتَيۡسَرَ مِنَ ٱلۡهَدۡيِۖ وَلَا تَحۡلِقُواْ رُءُوسَكُمۡ حَتَّىٰ يَبۡلُغَ ٱلۡهَدۡيُ مَحِلَّهُۥۚ فَمَن كَانَ مِنكُم مَّرِيضًا أَوۡ بِهِۦٓ أَذٗى مِّن رَّأۡسِهِۦ فَفِدۡيَةٞ مِّن صِيَامٍ أَوۡ صَدَقَةٍ أَوۡ نُسُكٖۚ فَإِذَآ أَمِنتُمۡ فَمَن تَمَتَّعَ بِٱلۡعُمۡرَةِ إِلَى ٱلۡحَجِّ فَمَا ٱسۡتَيۡسَرَ مِنَ ٱلۡهَدۡيِۚ فَمَن لَّمۡ يَجِدۡ فَصِيَامُ ثَلَٰثَةِ أَيَّامٖ فِي ٱلۡحَجِّ وَسَبۡعَةٍ إِذَا رَجَعۡتُمۡۗ تِلۡكَ عَشَرَةٞ كَامِلَةٞۗ ذَٰلِكَ لِمَن لَّمۡ يَكُنۡ أَهۡلُهُۥ حَاضِرِي ٱلۡمَسۡجِدِ ٱلۡحَرَامِۚ وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ شَدِيدُ ٱلۡعِقَابِ ١٩٦
En verricht de Haddj en de Omra voor Allah. Maar als je wordt weerhouden (om hem te voltooien) laat dan een offerdier slachten wat makkelijk te vinden is, en scheer jullie hoofden niet totdat het offerdier de slachtplaats bereikt. En iedereen van jullie die ziek is of aan een kwaal lijdt aan het hoofd moet losgeld betalen of drie dagen vasten, aalmoezen geven of een offerdier slachten. En wanneer jullie in veiligheid zijn en (het betreft) degene die de Omra verricht in de maanden van de Haddj, voordat de Haddj (verricht wordt) deze moet een offerdier slachten wat hij zich kan veroorloven, maar als hij het zich niet kan veroorloven moet hij drie dagen tijdens de Haddj vasten en zeven dagen bij zijn thuiskomst, om de tien dagen vol te maken. Dit geldt voor degene wiens gezin niet aanwezig is in de Masdjied al-Haram. En vrees Allah en weet dat Allah streng is in de bestraffing.
Waatimmoe alhajja walAAumrata lillahi fain ohsirtum fama istaysara mina alhadyi wala tahliqoe ruoesakum hatta yablugha alhadyu mahillahu faman kana minkum mareedan aw bihi athan min rasihi fafidyatun min siyamin aw sadaqatin aw nusukin faitha amintum faman tamattaAAa bilAAumrati ila alhajji fama istaysara mina alhadyi faman lam yajid fasiyamu thalathati ayyamin fee alhajji wasabAAatin itha rajaAAtum tilka AAasharatun kamilatun thalika liman lam yakun ahluhu hadiree almasjidi alharami wattaqoe Allaha waAAlamoe anna Allaha shadeedu alAAiqab
ٱلۡحَجُّ أَشۡهُرٞ مَّعۡلُومَٰتٞۚ فَمَن فَرَضَ فِيهِنَّ ٱلۡحَجَّ فَلَا رَفَثَ وَلَا فُسُوقَ وَلَا جِدَالَ فِي ٱلۡحَجِّۗ وَمَا تَفۡعَلُواْ مِنۡ خَيۡرٖ يَعۡلَمۡهُ ٱللَّهُۗ وَتَزَوَّدُواْ فَإِنَّ خَيۡرَ ٱلزَّادِ ٱلتَّقۡوَىٰۖ وَٱتَّقُونِ يَٰٓأُوْلِي ٱلۡأَلۡبَٰبِ ١٩٧
De Haddj is in de" bekende (maan)maanden. Iedereen die zich voorgenomen heeft om de Hadj te verrichten, zal geen geslachtsgemeenschap hebben, noch een zonde begaan, noch vijandigheid bejegenen tijdens de Haddj. En van al het goede dat je doet, (zeer zeker) heeft Allah daar weet van. En neem proviand mee voor de reis; de beste proviand is godvrezende vroomheid. Vrees Mij dus, o mensen met (gezond) verstand!
Walaw annahum amanoe wattaqaw lamathoebatun min Alhajju ashhurun maAAloematun faman farada feehinna alhajja fala rafatha wala fusoeqa wala jidala fee alhajji wama tafAAaloe min khayrin yaAAlamhu Allahu watazawwadoe fainna khayra azzadi attaqwa wattaqoeni ya-olee alalbab Allahi khayrun law kanoe yaAAlamoen
لَيۡسَ عَلَيۡكُمۡ جُنَاحٌ أَن تَبۡتَغُواْ فَضۡلٗا مِّن رَّبِّكُمۡۚ فَإِذَآ أَفَضۡتُم مِّنۡ عَرَفَٰتٖ فَٱذۡكُرُواْ ٱللَّهَ عِندَ ٱلۡمَشۡعَرِ ٱلۡحَرَامِۖ وَٱذۡكُرُوهُ كَمَا هَدَىٰكُمۡ وَإِن كُنتُم مِّن قَبۡلِهِۦ لَمِنَ ٱلضَّآلِّينَ ١٩٨
Het is geen zonde voor jullie als jullie de weldaad van jullie Heer zoeken. Als jullie (de berg) Arafāh dan verlaten, gedenk Allah bij het heilige baken. En gedenk Hem want Hij heeft jullie geleid en waarlijk, jullie waren daarvoor degenen die dwaalden.
Laysa AAalaykum junahun an tabtaghoe fadlan min rabbikum faitha afadtum min AAarafatin fathkuroe Allaha AAinda almashAAari alharami wathkuroehu kama hadakum wain kuntum min qablihi lamina addalleen
ثُمَّ أَفِيضُواْ مِنۡ حَيۡثُ أَفَاضَ ٱلنَّاسُ وَٱسۡتَغۡفِرُواْ ٱللَّهَۚ إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ١٩٩
Vertrekt daarna van waar de mensen vertrekken (Arafāh) en vraag Allah om Zijn vergeving. Waarlijk, Allah is Vergevingsgezind, Genadevol.
Thumma afeedoe min haythu afada annasu wastaghfiroe Allaha inna Allaha ghafoerun raheem
فَإِذَا قَضَيۡتُم مَّنَٰسِكَكُمۡ فَٱذۡكُرُواْ ٱللَّهَ كَذِكۡرِكُمۡ ءَابَآءَكُمۡ أَوۡ أَشَدَّ ذِكۡرٗاۗ فَمِنَ ٱلنَّاسِ مَن يَقُولُ رَبَّنَآ ءَاتِنَا فِي ٱلدُّنۡيَا وَمَا لَهُۥ فِي ٱلۡأٓخِرَةِ مِنۡ خَلَٰقٖ ٢٠٠
Als jullie dus de rituelen van de Haddj hebben voltooid, gedenk Allah dan zoals jullie je vader gedenken of nog intenser. Maar tot hen (de mensheid) behoort degene die zegt: “Onze Heer! Geef ons in de wereld!” En hij zal geen deel hebben in het Hiernamaals.
Faitha qadaytum manasikakum fathkuroe Allaha kathikrikum abaakum aw ashadda thikran famina annasi man yaqoelu rabbana atina fee addunya wama lahu fee alakhirati min khalaq
وَمِنۡهُم مَّن يَقُولُ رَبَّنَآ ءَاتِنَا فِي ٱلدُّنۡيَا حَسَنَةٗ وَفِي ٱلۡأٓخِرَةِ حَسَنَةٗ وَقِنَا عَذَابَ ٱلنَّارِ ٢٠١
En van hen is hij die zegt: “Onze Heer, schenk ons de goede (gunsten) in dit leven en de goede (gunsten) in het Hiernamaals, en bescherm ons tegen de kwellingen van het Vuur.”
Waminhum man yaqoelu rabbana atina fee addunya hasanatan wafee alakhirati hasanatan waqina AAathaba annar
أُوْلَٰٓئِكَ لَهُمۡ نَصِيبٞ مِّمَّا كَسَبُواْۚ وَٱللَّهُ سَرِيعُ ٱلۡحِسَابِ ٢٠٢
Voor hen zal een deel van wat zij verdiend hebben worden toegekend. En Allah is snel in de verrekening.
Olaika lahum naseebun mimma kasaboe wallahu sareeAAu alhisab
۞ وَٱذۡكُرُواْ ٱللَّهَ فِيٓ أَيَّامٖ مَّعۡدُودَٰتٖۚ فَمَن تَعَجَّلَ فِي يَوۡمَيۡنِ فَلَآ إِثۡمَ عَلَيۡهِ وَمَن تَأَخَّرَ فَلَآ إِثۡمَ عَلَيۡهِۖ لِمَنِ ٱتَّقَىٰۗ وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّكُمۡ إِلَيۡهِ تُحۡشَرُونَ ٢٠٣
En gedenk Allah tijdens de aangewezen dagen. Maar wie zich haast om na twee dagen weg te gaan, pleegt daar geen zonde mee, en wie blijft, pleegt daar geen zonde mee, als hij tot doel heeft het goede te doen en Allah te vrezen, en weet dat jullie zeker tot Hem verzameld zullen worden.
Wathkuroe Allaha fee ayyamin maAAdoedatin faman taAAajjala fee yawmayni fala ithma AAalayhi waman taakhkhara fala ithma AAalayhi limani ittaqa wattaqoe Allaha waAAlamoe annakum ilayhi tuhsharoen
وَمِنَ ٱلنَّاسِ مَن يُعۡجِبُكَ قَوۡلُهُۥ فِي ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَا وَيُشۡهِدُ ٱللَّهَ عَلَىٰ مَا فِي قَلۡبِهِۦ وَهُوَ أَلَدُّ ٱلۡخِصَامِ ٢٠٤
En onder de mensen is er degene wiens woorden over het wereldse leven jullie verbazen en hij roept Allah tot getuige voor wat in zijn hart is, maar hij is van alle tegenstanders degene die het meeste ruzie zoekt.
Wamina annasi man yuAAjibuka qawluhu fee alhayati addunya wayushhidu Allaha AAala ma fee qalbihi wahuwa aladdu alkhisam
وَإِذَا تَوَلَّىٰ سَعَىٰ فِي ٱلۡأَرۡضِ لِيُفۡسِدَ فِيهَا وَيُهۡلِكَ ٱلۡحَرۡثَ وَٱلنَّسۡلَۚ وَٱللَّهُ لَا يُحِبُّ ٱلۡفَسَادَ ٢٠٥
En wanneer hij zich afkeert, dan gaat hij op de aarde rond om er verderf te zaaien en om de oogst en het vee te vernietigen en Allah houdt niet van het verderf.
Waitha tawalla saAAa fee alardi liyufsida feeha wayuhlika alhartha wannasla wallahu la yuhibbu alfasad
وَإِذَا قِيلَ لَهُ ٱتَّقِ ٱللَّهَ أَخَذَتۡهُ ٱلۡعِزَّةُ بِٱلۡإِثۡمِۚ فَحَسۡبُهُۥ جَهَنَّمُۖ وَلَبِئۡسَ ٱلۡمِهَادُ ٢٠٦
En als tegen hem gezegd wordt: “Vrees Allah” pleegt hij in zijn arrogantie nog meer misdaden. Voor hem is de Hel genoeg, en dat is zeker de slechtste rustplaats!
Waitha qeela lahu ittaqi Allaha akhathathu alAAizzatu bilithmi fahasbuhu jahannamu walabisa almihad
وَمِنَ ٱلنَّاسِ مَن يَشۡرِي نَفۡسَهُ ٱبۡتِغَآءَ مَرۡضَاتِ ٱللَّهِۚ وَٱللَّهُ رَءُوفُۢ بِٱلۡعِبَادِ ٢٠٧
En er is er een onder de mensen die zichzelf verkoopt, om de tevredenheid van Allah te zoeken. En Allah is Meest Genadig voor de dienaren.
Wamina annasi man yashree nafsahu ibtighaa mardati Allahi wallahu raoefun bilAAibad
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱدۡخُلُواْ فِي ٱلسِّلۡمِ كَآفَّةٗ وَلَا تَتَّبِعُواْ خُطُوَٰتِ ٱلشَّيۡطَٰنِۚ إِنَّهُۥ لَكُمۡ عَدُوّٞ مُّبِينٞ ٢٠٨
O jullie die geloven! Ga de islam in zijn volledigheid binnen (met de sjari’ah als enige wetgeving), en treedt (vooral) niet in de voetstappen van Satan (die hierin onderscheid probeert te maken). Want waarlijk, hij is een duidelijke vijand voor jullie (waarover geen twijfel kan bestaan).
Ya-ayyuha allatheena amanoe odkhuloe fee assilmi kaffatan wala tattabiAAoe khutuwati ashshaytani innahu lakum AAaduwwun mubeen
فَإِن زَلَلۡتُم مِّنۢ بَعۡدِ مَا جَآءَتۡكُمُ ٱلۡبَيِّنَٰتُ فَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ عَزِيزٌ حَكِيمٌ ٢٠٩
Als jullie terugvallen nadat de duidelijke Tekenen (van de Waarheid) jullie hebben bereikt, weet dan dat Allah de Almachtige, de Alwijze is.
Fain zalaltum min baAAdi ma jaatkumu albayyinatu faAAlamoe anna Allaha AAazeezun hakeem
هَلۡ يَنظُرُونَ إِلَّآ أَن يَأۡتِيَهُمُ ٱللَّهُ فِي ظُلَلٖ مِّنَ ٱلۡغَمَامِ وَٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ وَقُضِيَ ٱلۡأَمۡرُۚ وَإِلَى ٱللَّهِ تُرۡجَعُ ٱلۡأُمُورُ ٢١٠
Zij wachten op niets anders dan dat (de bestraffing van) Allah tot hen komt in de schaduwen van de wolken en de Engelen. (Dan) zal de zaak reeds berecht zijn. En tot Allah zullen alle zaken terugkeren.
Hal yanthuroena illa an yatiyahumu Allahu fee thulalin mina alghamami walmalaikatu waqudiya alamru waila Allahi turjaAAu alomoer
سَلۡ بَنِيٓ إِسۡرَٰٓءِيلَ كَمۡ ءَاتَيۡنَٰهُم مِّنۡ ءَايَةِۭ بَيِّنَةٖۗ وَمَن يُبَدِّلۡ نِعۡمَةَ ٱللَّهِ مِنۢ بَعۡدِ مَا جَآءَتۡهُ فَإِنَّ ٱللَّهَ شَدِيدُ ٱلۡعِقَابِ ٢١١
Vraag de Kinderen van Israël hoeveel duidelijke bewijzen Wij hun hebben gegeven. En iedereen die Allah’s gunsten hierna vervangt, nadat zij tot hen gekomen zijn, dan zeker, Allah is streng in de bestraffing.
Sal banee israeela kam ataynahum min ayatin bayyinatin waman yubaddil niAAmata Allahi min baAAdi ma jaathu fainna Allaha shadeedu alAAiqab
زُيِّنَ لِلَّذِينَ كَفَرُواْ ٱلۡحَيَوٰةُ ٱلدُّنۡيَا وَيَسۡخَرُونَ مِنَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْۘ وَٱلَّذِينَ ٱتَّقَوۡاْ فَوۡقَهُمۡ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِۗ وَٱللَّهُ يَرۡزُقُ مَن يَشَآءُ بِغَيۡرِ حِسَابٖ ٢١٢
Het leven voor degenen die niet geloven is in deze wereld prachtig en zij bespotten degenen die geloven. Maar degenen die zich aan Allah’s bevelen houden en wegblijven van wat Hij verboden heeft zullen boven hen staan op de Dag der Opstanding. En Allah geeft grenzeloos aan wie Hij wil.
Zuyyina lillatheena kafaroe alhayatu addunya wayaskharoena mina allatheena amanoe wallatheena ittaqaw fawqahum yawma alqiyamati wallahu yarzuqu man yashao bighayri hisab
كَانَ ٱلنَّاسُ أُمَّةٗ وَٰحِدَةٗ فَبَعَثَ ٱللَّهُ ٱلنَّبِيِّـۧنَ مُبَشِّرِينَ وَمُنذِرِينَ وَأَنزَلَ مَعَهُمُ ٱلۡكِتَٰبَ بِٱلۡحَقِّ لِيَحۡكُمَ بَيۡنَ ٱلنَّاسِ فِيمَا ٱخۡتَلَفُواْ فِيهِۚ وَمَا ٱخۡتَلَفَ فِيهِ إِلَّا ٱلَّذِينَ أُوتُوهُ مِنۢ بَعۡدِ مَا جَآءَتۡهُمُ ٱلۡبَيِّنَٰتُ بَغۡيَۢا بَيۡنَهُمۡۖ فَهَدَى ٱللَّهُ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لِمَا ٱخۡتَلَفُواْ فِيهِ مِنَ ٱلۡحَقِّ بِإِذۡنِهِۦۗ وَٱللَّهُ يَهۡدِي مَن يَشَآءُ إِلَىٰ صِرَٰطٖ مُّسۡتَقِيمٍ ٢١٣
De mensheid was één gemeenschap en Allah heeft Profeten met goede berichten en waarschuwingen gestuurd en met hen stuurde Hij het Boek met de Waarheid om te oordelen tussen de mensen over zaken, waarin zij van mening verschillen. En slechts degenen aan wie het (Boek) is gegeven en daarover van mening verschillen nadat duidelijke bewijzen tot hen gekomen zijn, haten elkaar. Dan leidt Allah door Zijn Leiding degenen (die geloven in de Waarheid) weg van datgene waarover zij met elkaar van mening verschillen. En Allah leidt wie Hij wil op het rechte Pad.
Kana annasu ommatan wahidatan fabaAAatha Allahu annabiyyeena mubashshireena wamunthireena waanzala maAAahumu alkitaba bilhaqqi liyahkuma bayna annasi feema ikhtalafoe feehi wama ikhtalafa feehi illa allatheena oetoehu min baAAdi ma jaathumu albayyinatu baghyan baynahum fahada Allahu allatheena amanoe lima ikhtalafoe feehi mina alhaqqi biithnihi wallahu yahdee man yashao ila siratin mustaqeem
أَمۡ حَسِبۡتُمۡ أَن تَدۡخُلُواْ ٱلۡجَنَّةَ وَلَمَّا يَأۡتِكُم مَّثَلُ ٱلَّذِينَ خَلَوۡاْ مِن قَبۡلِكُمۖ مَّسَّتۡهُمُ ٱلۡبَأۡسَآءُ وَٱلضَّرَّآءُ وَزُلۡزِلُواْ حَتَّىٰ يَقُولَ ٱلرَّسُولُ وَٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ مَعَهُۥ مَتَىٰ نَصۡرُ ٱللَّهِۗ أَلَآ إِنَّ نَصۡرَ ٱللَّهِ قَرِيبٞ ٢١٤
Of denken jullie dat jullie het Paradijs zullen binnentreden zonder dat zulke (beproevingen) tot jullie komen, zoals zij tot degene die voor jullie zijn heengegaan zijn gekomen? Zij werden getroffen door zware armoede en ziekten en waren zo geschokt dat zelfs de Boodschapper en degenen die ook met hem geloofden zeiden: “Wanneer (komt) de Hulp van Allah?” Jazeker! De hulp van Allah is nabij!
Am hasibtum an tadkhuloe aljannata walamma yatikum mathalu allatheena khalaw min qablikum massathumu albasao waddarrao wazulziloe hatta yaqoela arrasoelu wallatheena amanoe maAAahu mata nasru Allahi ala inna nasra Allahi qareeb
يَسۡـَٔلُونَكَ مَاذَا يُنفِقُونَۖ قُلۡ مَآ أَنفَقۡتُم مِّنۡ خَيۡرٖ فَلِلۡوَٰلِدَيۡنِ وَٱلۡأَقۡرَبِينَ وَٱلۡيَتَٰمَىٰ وَٱلۡمَسَٰكِينِ وَٱبۡنِ ٱلسَّبِيلِۗ وَمَا تَفۡعَلُواْ مِنۡ خَيۡرٖ فَإِنَّ ٱللَّهَ بِهِۦ عَلِيمٞ ٢١٥
Zij vragen jou wat het is dat zij als bijdrage moeten geven. Zeg: “Alles wat je voor het goede uitgeeft moet voor de ouders, de verwanten, de wezen, de armen die bedelen en de reiziger zijn, en alles wat je aan goede daden verricht, waarlijk, Allah weet het goed.
Yasaloenaka matha yunfiqoena qul ma anfaqtum min khayrin falilwalidayni walaqrabeena walyatama walmasakeeni wabni assabeeli wama tafAAaloe min khayrin fainna Allaha bihi AAaleem
كُتِبَ عَلَيۡكُمُ ٱلۡقِتَالُ وَهُوَ كُرۡهٞ لَّكُمۡۖ وَعَسَىٰٓ أَن تَكۡرَهُواْ شَيۡـٔٗا وَهُوَ خَيۡرٞ لَّكُمۡۖ وَعَسَىٰٓ أَن تُحِبُّواْ شَيۡـٔٗا وَهُوَ شَرّٞ لَّكُمۡۚ وَٱللَّهُ يَعۡلَمُ وَأَنتُمۡ لَا تَعۡلَمُونَ ٢١٦
De strijd(het vechten op de Weg van Allah) is aan jullie (moslims) opgelegd, hoewel jullie daar een afkeer van hebben en het kan zo zijn dat jullie een afkeer hebben van iets terwijl het jullie juist ten goede komt, maar het kan ook zo zijn dat jullie van iets houden terwijl dat net een slechte (afloop) zal kennen. En Allah weet en jullie niet, (dus horen jullie Hem onvoorwaardelijk te gehoorzamen in Zijn bevelen).
Kutiba AAalaykumu alqitalu wahuwa kurhun lakum waAAasa an takrahoe shayan wahuwa khayrun lakum waAAasa an tuhibboe shayan wahuwa sharrun lakum wallahu yaAAlamu waantum la taAAlamoen
يَسۡـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلشَّهۡرِ ٱلۡحَرَامِ قِتَالٖ فِيهِۖ قُلۡ قِتَالٞ فِيهِ كَبِيرٞۚ وَصَدٌّ عَن سَبِيلِ ٱللَّهِ وَكُفۡرُۢ بِهِۦ وَٱلۡمَسۡجِدِ ٱلۡحَرَامِ وَإِخۡرَاجُ أَهۡلِهِۦ مِنۡهُ أَكۡبَرُ عِندَ ٱللَّهِۚ وَٱلۡفِتۡنَةُ أَكۡبَرُ مِنَ ٱلۡقَتۡلِۗ وَلَا يَزَالُونَ يُقَٰتِلُونَكُمۡ حَتَّىٰ يَرُدُّوكُمۡ عَن دِينِكُمۡ إِنِ ٱسۡتَطَٰعُواْۚ وَمَن يَرۡتَدِدۡ مِنكُمۡ عَن دِينِهِۦ فَيَمُتۡ وَهُوَ كَافِرٞ فَأُوْلَٰٓئِكَ حَبِطَتۡ أَعۡمَٰلُهُمۡ فِي ٱلدُّنۡيَا وَٱلۡأٓخِرَةِۖ وَأُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلنَّارِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٢١٧
Zij vragen jou over het vechten in de heilige maanden. Zeg: “Vechten "daarin is een grote zonde. Maar een grotere overtreding in het aangezicht van Allah is de mensheid te weerhouden het Pad van Allah te volgen, ongeloof aan Hem, en (het versperren van de toegang tot) de Madjied al-Haram (in Mekka) en het verdrijven van de bewoners er omheen. En Fitnah (hier: afgoderij) is erger dan doden. En zij zullen nooit stoppen jullie te bevechten totdat zij jullie van jullie religie hebben doen afkeren, als zij dat kunnen. En wie van jullie zich van de religie afkeert en als ongelovige sterft, daarvan zullen zijn daden in dit leven en in het Hiernamaals verloren gaan en zij zullen de bewoners van het Vuur zijn. Zij zullen daarin voor altijd verblijven.
Yasaloenaka AAani ashshahri alharami qitalin feehi qul qitalun feehi kabeerun wasaddun AAan sabeeli Allahi wakufrun bihi walmasjidi alharami waikhraju ahlihi minhu akbaru AAinda Allahi walfitnatu akbaru mina alqatli wala yazaloena yuqatiloenakum hatta yaruddoekum AAan deenikum ini istataAAoe waman yartadid minkum AAan deenihi fayamut wahuwa kafirun faolaika habitat aAAmaluhum fee addunya walakhirati waolaika ashabu annari hum feeha khalidoen
إِنَّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَٱلَّذِينَ هَاجَرُواْ وَجَٰهَدُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ أُوْلَٰٓئِكَ يَرۡجُونَ رَحۡمَتَ ٱللَّهِۚ وَٱللَّهُ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ٢١٨
Waarlijk, degene die geloven en die geëmigreerd zijn en hard streven op het pad van Allah, hopen allen op Allah’s genade. En Allah is de Vergevingsgezinde, de Genadevolle.
Inna allatheena amanoe wallatheena hajaroe wajahadoe fee sabeeli Allahi olaika yarjoena rahmata Allahi wallahu ghafoerun raheem
۞ يَسۡـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلۡخَمۡرِ وَٱلۡمَيۡسِرِۖ قُلۡ فِيهِمَآ إِثۡمٞ كَبِيرٞ وَمَنَٰفِعُ لِلنَّاسِ وَإِثۡمُهُمَآ أَكۡبَرُ مِن نَّفۡعِهِمَاۗ وَيَسۡـَٔلُونَكَ مَاذَا يُنفِقُونَۖ قُلِ ٱلۡعَفۡوَۗ كَذَٰلِكَ يُبَيِّنُ ٱللَّهُ لَكُمُ ٱلۡأٓيَٰتِ لَعَلَّكُمۡ تَتَفَكَّرُونَ ٢١٩
Zij vragen jou over alcoholische dranken en gokken. Zeg: “Daarin is een grote zonde, en ook (wat) nut voor de mens, maar de zonde daarvan is groter dan hun nut.” En zij vragen jou wat zij moeten besteden. Zeg: “Wat jullie kunnen missen.” Dus Allah maakt Zijn wetten duidelijk voor jullie, zodat jullie daaraan denken.”
Yasaloenaka AAani alkhamri walmaysiri qul feehima ithmun kabeerun wamanafiAAu linnasi waithmuhuma akbaru min nafAAihima wayasaloenaka matha yunfiqoena quli alAAafwa kathalika yubayyinu Allahu lakumu alayati laAAallakum tatafakkaroen
فِي ٱلدُّنۡيَا وَٱلۡأٓخِرَةِۗ وَيَسۡـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلۡيَتَٰمَىٰۖ قُلۡ إِصۡلَاحٞ لَّهُمۡ خَيۡرٞۖ وَإِن تُخَالِطُوهُمۡ فَإِخۡوَٰنُكُمۡۚ وَٱللَّهُ يَعۡلَمُ ٱلۡمُفۡسِدَ مِنَ ٱلۡمُصۡلِحِۚ وَلَوۡ شَآءَ ٱللَّهُ لَأَعۡنَتَكُمۡۚ إِنَّ ٱللَّهَ عَزِيزٌ حَكِيمٞ ٢٢٠
In dit wereldse leven en het Hiernamaals. En zij vragen jou over de wezen. Zeg: “Het beste is om eerlijk hun eigendommen te beheren en als jullie je bezittingen met die van hen vermengen, dan zijn zij jullie broeders. En Allah kent degenen die bedrog voor ogen heeft en degene die het goed bedoelt. En als Allah het gewenst had, had Hij jullie problemen kunnen bezorgen. Waarlijk, Allah is Almachtig, Alwijs.
Fee addunya walakhirati wayasaloenaka AAani alyatama qul islahun lahum khayrun wain tukhalitoehum faikhwanukum wallahu yaAAlamu almufsida mina almuslihi walaw shaa Allahu laaAAnatakum inna Allaha AAazeezun hakeem
وَلَا تَنكِحُواْ ٱلۡمُشۡرِكَٰتِ حَتَّىٰ يُؤۡمِنَّۚ وَلَأَمَةٞ مُّؤۡمِنَةٌ خَيۡرٞ مِّن مُّشۡرِكَةٖ وَلَوۡ أَعۡجَبَتۡكُمۡۗ وَلَا تُنكِحُواْ ٱلۡمُشۡرِكِينَ حَتَّىٰ يُؤۡمِنُواْۚ وَلَعَبۡدٞ مُّؤۡمِنٌ خَيۡرٞ مِّن مُّشۡرِكٖ وَلَوۡ أَعۡجَبَكُمۡۗ أُوْلَٰٓئِكَ يَدۡعُونَ إِلَى ٱلنَّارِۖ وَٱللَّهُ يَدۡعُوٓاْ إِلَى ٱلۡجَنَّةِ وَٱلۡمَغۡفِرَةِ بِإِذۡنِهِۦۖ وَيُبَيِّنُ ءَايَٰتِهِۦ لِلنَّاسِ لَعَلَّهُمۡ يَتَذَكَّرُونَ ٢٢١
En trouw niet met de afgodaanbidsters tot zij geloven. En waarlijk, een slavin die gelooft is beter dan een (vrije) afgodaanbidster, ook al verbaast haar schoonheid jullie. En geef jullie dochters niet ten huwelijk aan afgodenaanbidders tot zij geloven. Waarlijk, een gelovige dienaar is beter dan een (vrije) afgodenaanbidder zelfs als hij jullie aanstaat. Zij nodigen jullie uit tot het Vuur maar Allah nodigt (jullie) uit tot het Paradijs en tot de vergeving met Zijn verlof. Hij maakt Zijn Tekenen duidelijk aan de mensen, zodat zij het zich herinneren.
Wala tankihoe almushrikati hatta yuminna walaamatun muminatun khayrun min mushrikatin walaw aAAjabatkum wala tunkihoe almushrikeena hatta yuminoe walaAAabdun muminun khayrun min mushrikin walaw aAAjabakum olaika yadAAoena ila annari wallahu yadAAoe ila aljannati walmaghfirati biithnihi wayubayyinu ayatihi linnasi laAAallahum yatathakkaroen
وَيَسۡـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلۡمَحِيضِۖ قُلۡ هُوَ أَذٗى فَٱعۡتَزِلُواْ ٱلنِّسَآءَ فِي ٱلۡمَحِيضِ وَلَا تَقۡرَبُوهُنَّ حَتَّىٰ يَطۡهُرۡنَۖ فَإِذَا تَطَهَّرۡنَ فَأۡتُوهُنَّ مِنۡ حَيۡثُ أَمَرَكُمُ ٱللَّهُۚ إِنَّ ٱللَّهَ يُحِبُّ ٱلتَّوَّٰبِينَ وَيُحِبُّ ٱلۡمُتَطَهِّرِينَ ٢٢٢
Zij vragen jou over de menstruatie. Zeg: “Dat is een een onreinheid, vermijd daarom (sexueel contact met) de vrouwen gedurende de ongesteldheid. En nader hen niet totdat zij rein zijn. Wanneer zij zich dan gereinigd hebben, kom dan tot hen zoals Allah jullie dat verordend heeft. Waarlijk, Allah heeft degenen lief die zich in berouw tot Hem keren en zich reinigen.
Wayasaloenaka AAani almaheedi qul huwa athan faAAtaziloe annisaa fee almaheedi wala taqraboehunna hatta yathurna faitha tatahharna fatoehunna min haythu amarakumu Allahu inna Allaha yuhibbu attawwabeena wayuhibbu almutatahhireen
نِسَآؤُكُمۡ حَرۡثٞ لَّكُمۡ فَأۡتُواْ حَرۡثَكُمۡ أَنَّىٰ شِئۡتُمۡۖ وَقَدِّمُواْ لِأَنفُسِكُمۡۚ وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّكُم مُّلَٰقُوهُۗ وَبَشِّرِ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ ٢٢٣
Jullie vrouwen zijn (als) een akker voor jullie, ga dus naar jullie akker, zoals jullie wensen en stuur voor jullie zelf (goede werken) vooruit. En vrees Allah en weet dat jullie Hem zullen ontmoeten. En geef goede tijdingen aan de gelovigen.
Nisaokum harthun lakum fatoe harthakum anna shitum waqaddimoe lianfusikum wattaqoe Allaha waAAlamoe annakum mulaqoehu wabashshiri almumineen
وَلَا تَجۡعَلُواْ ٱللَّهَ عُرۡضَةٗ لِّأَيۡمَٰنِكُمۡ أَن تَبَرُّواْ وَتَتَّقُواْ وَتُصۡلِحُواْ بَيۡنَ ٱلنَّاسِۚ وَٱللَّهُ سَمِيعٌ عَلِيمٞ ٢٢٤
En verschuil je niet achter Allah in jullie eden om geen goede daden te verrichten en niet vroom te handelen, en geen vrede onder de mensheid te stichten. En Allah is de Alhorende, de Alwetende.
Wala tajAAaloe Allaha AAurdatan liaymanikum an tabarroe watattaqoe watuslihoe bayna annasi wallahu sameeAAun AAaleem
لَّا يُؤَاخِذُكُمُ ٱللَّهُ بِٱللَّغۡوِ فِيٓ أَيۡمَٰنِكُمۡ وَلَٰكِن يُؤَاخِذُكُم بِمَا كَسَبَتۡ قُلُوبُكُمۡۗ وَٱللَّهُ غَفُورٌ حَلِيمٞ ٢٢٥
En Allah zal jullie niet ter verantwoording roepen voor datgene wat jullie onbedoeld in jullie eden afleggen, maar Hij zal jullie ter verantwoording roepen voor datgene wat jullie harten verdiend hebben (door jullie intenties). En Allah is de Vergevingsgezinde, de Genadevolle.
La yuakhithukumu Allahu billaghwi fee aymanikum walakin yuakhithukum bima kasabat quloebukum wallahu ghafoerun haleem
لِّلَّذِينَ يُؤۡلُونَ مِن نِّسَآئِهِمۡ تَرَبُّصُ أَرۡبَعَةِ أَشۡهُرٖۖ فَإِن فَآءُو فَإِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ٢٢٦
Degenen die zweren geen geslachtsgemeenschap met hun vrouwen te hebben, moeten vier maanden wachten. Als zij dan terugkeren waarlijk, Allah is de Vergevingsgezinde, de Genadevolle.
Lillatheena yuloena min nisaihim tarabbusu arbaAAati ashhurin fain faoe fainna Allaha ghafoerun raheem
وَإِنۡ عَزَمُواْ ٱلطَّلَٰقَ فَإِنَّ ٱللَّهَ سَمِيعٌ عَلِيمٞ ٢٢٧
En als zij tot echtscheiding besluiten, dan is Allah de Alhorende, de Alwetende.
Wain AAazamoe attalaqa fainna Allaha sameeAAun AAaleem
وَٱلۡمُطَلَّقَٰتُ يَتَرَبَّصۡنَ بِأَنفُسِهِنَّ ثَلَٰثَةَ قُرُوٓءٖۚ وَلَا يَحِلُّ لَهُنَّ أَن يَكۡتُمۡنَ مَا خَلَقَ ٱللَّهُ فِيٓ أَرۡحَامِهِنَّ إِن كُنَّ يُؤۡمِنَّ بِٱللَّهِ وَٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِۚ وَبُعُولَتُهُنَّ أَحَقُّ بِرَدِّهِنَّ فِي ذَٰلِكَ إِنۡ أَرَادُوٓاْ إِصۡلَٰحٗاۚ وَلَهُنَّ مِثۡلُ ٱلَّذِي عَلَيۡهِنَّ بِٱلۡمَعۡرُوفِۚ وَلِلرِّجَالِ عَلَيۡهِنَّ دَرَجَةٞۗ وَٱللَّهُ عَزِيزٌ حَكِيمٌ ٢٢٨
En de gescheiden vrouwen moeten een periode van drie maandstonden wachten. En het is niet wettig voor hen om te verbergen wat Allah in hun schoten heeft geschapen, als zij in Allah en in de Laatste Dag geloven. En hun echtgenoten hebben het recht om hen in deze periode terug te nemen, als zij tot verzoening besluiten. En zij (de vrouwen) hebben rechten overeenkomstig hun plichten, volgens wat redelijk is. En voor de mannen is er een rang boven hen (de vrouwen). En Allah is Almachtig, Alwijs.
Walmutallaqatu yatarabbasna bianfusihinna thalathata quroein wala yahillu lahunna an yaktumna ma khalaqa Allahu fee arhamihinna in kunna yuminna billahi walyawmi alakhiri wabuAAoelatuhunna ahaqqu biraddihinna fee thalika in aradoe islahan walahunna mithlu allathee AAalayhinna bilmaAAroefi walirrijali AAalayhinna darajatun wallahu AAazeezun hakeem
ٱلطَّلَٰقُ مَرَّتَانِۖ فَإِمۡسَاكُۢ بِمَعۡرُوفٍ أَوۡ تَسۡرِيحُۢ بِإِحۡسَٰنٖۗ وَلَا يَحِلُّ لَكُمۡ أَن تَأۡخُذُواْ مِمَّآ ءَاتَيۡتُمُوهُنَّ شَيۡـًٔا إِلَّآ أَن يَخَافَآ أَلَّا يُقِيمَا حُدُودَ ٱللَّهِۖ فَإِنۡ خِفۡتُمۡ أَلَّا يُقِيمَا حُدُودَ ٱللَّهِ فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡهِمَا فِيمَا ٱفۡتَدَتۡ بِهِۦۗ تِلۡكَ حُدُودُ ٱللَّهِ فَلَا تَعۡتَدُوهَاۚ وَمَن يَتَعَدَّ حُدُودَ ٱللَّهِ فَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلظَّٰلِمُونَ ٢٢٩
De echtscheiding is tweemaal (mogelijk), hierna behouden jullie haar onder redelijke voorwaarden of laten jullie haar in vriendelijkheid los. En het is niet wettig voor jullie (mannen) om iets van jullie bruidsschat (van jullie vrouwen) van wat jullie gegeven hebben terug te nemen, behalve als beide partijen vrezen dat jullie niet in staat zijn om de grenzen die Allah gesteld heeft te handhaven. Als jullie (familieleden) vrezen dat zij de grenzen die Allah gesteld heeft niet kunnen handhaven, dan is het geen zonde voor hen beiden als de vrouw het teruggeeft voor haar echtscheiding, (aangevraagd door de vrouw). Dit zijn de grenzen die Allah gesteld heeft, overtreedt hen niet. En degenen die Allah’s grenzen overtreedt, diegenen behoren tot de onrechtvaardigen.
Attalaqu marratani faimsakun bimaAAroefin aw tasreehun biihsanin wala yahillu lakum an takhuthoe mimma ataytumoehunna shayan illa an yakhafa alla yuqeema hudoeda Allahi fain khiftum alla yuqeema hudoeda Allahi fala junaha AAalayhima feema iftadat bihi tilka hudoedu Allahi fala taAAtadoeha waman yataAAadda hudoeda Allahi faolaika humu aththalimoen
فَإِن طَلَّقَهَا فَلَا تَحِلُّ لَهُۥ مِنۢ بَعۡدُ حَتَّىٰ تَنكِحَ زَوۡجًا غَيۡرَهُۥۗ فَإِن طَلَّقَهَا فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡهِمَآ أَن يَتَرَاجَعَآ إِن ظَنَّآ أَن يُقِيمَا حُدُودَ ٱللَّهِۗ وَتِلۡكَ حُدُودُ ٱللَّهِ يُبَيِّنُهَا لِقَوۡمٖ يَعۡلَمُونَ ٢٣٠
En als hij van haar gescheiden is, is zij niet meer wettig voor hem, tot zij met een andere man gehuwd is geweest. Als dan de andere man van haar gescheiden is, is het geen zonde voor hen beiden als zij zich verenigen, mits zij voelen dat zij zich kunnen houden aan de grenzen die Allah gesteld heeft. Dit zijn de grenzen van Allah, die Hij duidelijk maakt voor de mensen die kennis hebben.
Fain tallaqaha fala tahillu lahu min baAAdu hatta tankiha zawjan ghayrahu fain tallaqaha fala junaha AAalayhima an yatarajaAAa in thanna an yuqeema hudoeda Allahi watilka hudoedu Allahi yubayyinuha liqawmin yaAAlamoen
وَإِذَا طَلَّقۡتُمُ ٱلنِّسَآءَ فَبَلَغۡنَ أَجَلَهُنَّ فَأَمۡسِكُوهُنَّ بِمَعۡرُوفٍ أَوۡ سَرِّحُوهُنَّ بِمَعۡرُوفٖۚ وَلَا تُمۡسِكُوهُنَّ ضِرَارٗا لِّتَعۡتَدُواْۚ وَمَن يَفۡعَلۡ ذَٰلِكَ فَقَدۡ ظَلَمَ نَفۡسَهُۥۚ وَلَا تَتَّخِذُوٓاْ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ هُزُوٗاۚ وَٱذۡكُرُواْ نِعۡمَتَ ٱللَّهِ عَلَيۡكُمۡ وَمَآ أَنزَلَ عَلَيۡكُم مِّنَ ٱلۡكِتَٰبِ وَٱلۡحِكۡمَةِ يَعِظُكُم بِهِۦۚ وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ بِكُلِّ شَيۡءٍ عَلِيمٞ ٢٣١
En als jullie" gescheiden vrouwen hebben en zij hebben de periode die hen voorgeschreven is vervuld, neem hen dan onder redelijke voorwaarden terug of laat hen vrij op een redelijke basis. En houdt hen niet vast met de bedoeling hen te kwellen, waarmee jullie zouden overtreden. En iedereen die dat doet, heeft zichzelf kwaad aangedaan. En bespot de verzen van Allah niet, maar gedenk Allah’s gunsten aan jullie en wat Hij aan jullie van het Boek heeft neergezonden en de Wijsheid waarmee Hij jullie aanwijzingen geeft. En vrees Allah en weet dat Allah zich van alle zaken bewust is.
Waitha tallaqtumu annisaa fabalaghna ajalahunna faamsikoehunna bimaAAroefin aw sarrihoehunna bimaAAroefin wala tumsikoehunna diraran litaAAtadoe waman yafAAal thalika faqad thalama nafsahu wala tattakhithoe ayati Allahi huzuwan wathkuroe niAAmata Allahi AAalaykum wama anzala AAalaykum mina alkitabi walhikmati yaAAithukum bihi wattaqoe Allaha waAAlamoe anna Allaha bikulli shayin AAaleem
وَإِذَا طَلَّقۡتُمُ ٱلنِّسَآءَ فَبَلَغۡنَ أَجَلَهُنَّ فَلَا تَعۡضُلُوهُنَّ أَن يَنكِحۡنَ أَزۡوَٰجَهُنَّ إِذَا تَرَٰضَوۡاْ بَيۡنَهُم بِٱلۡمَعۡرُوفِۗ ذَٰلِكَ يُوعَظُ بِهِۦ مَن كَانَ مِنكُمۡ يُؤۡمِنُ بِٱللَّهِ وَٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِۗ ذَٰلِكُمۡ أَزۡكَىٰ لَكُمۡ وَأَطۡهَرُۚ وَٱللَّهُ يَعۡلَمُ وَأَنتُمۡ لَا تَعۡلَمُونَ ٢٣٢
En als jullie gescheiden vrouwen hebben en zij hebben de periode die hen voorgeschreven is vervuld, weerhoudt hen er dan niet van hun echtgenoten te huwen, als zij gezamenlijk op redelijke basis hiertoe besluiten. Deze aanwijzing is een waarschuwing voor degenen onder jullie die in Allah en in de Laatste Dag geloven. Dat is deugdzamer en zuiverder voor jullie. Allah weet het en jullie weten het niet.
Waitha tallaqtumu annisaa fabalaghna ajalahunna fala taAAduloehunna an yankihna azwajahunna itha taradaw baynahum bilmaAAroefi thalika yoeAAathu bihi man kana minkum yuminu billahi walyawmi alakhiri thalikum azka lakum waatharu wallahu yaAAlamu waantum la taAAlamoen
۞ وَٱلۡوَٰلِدَٰتُ يُرۡضِعۡنَ أَوۡلَٰدَهُنَّ حَوۡلَيۡنِ كَامِلَيۡنِۖ لِمَنۡ أَرَادَ أَن يُتِمَّ ٱلرَّضَاعَةَۚ وَعَلَى ٱلۡمَوۡلُودِ لَهُۥ رِزۡقُهُنَّ وَكِسۡوَتُهُنَّ بِٱلۡمَعۡرُوفِۚ لَا تُكَلَّفُ نَفۡسٌ إِلَّا وُسۡعَهَاۚ لَا تُضَآرَّ وَٰلِدَةُۢ بِوَلَدِهَا وَلَا مَوۡلُودٞ لَّهُۥ بِوَلَدِهِۦۚ وَعَلَى ٱلۡوَارِثِ مِثۡلُ ذَٰلِكَۗ فَإِنۡ أَرَادَا فِصَالًا عَن تَرَاضٖ مِّنۡهُمَا وَتَشَاوُرٖ فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡهِمَاۗ وَإِنۡ أَرَدتُّمۡ أَن تَسۡتَرۡضِعُوٓاْ أَوۡلَٰدَكُمۡ فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡكُمۡ إِذَا سَلَّمۡتُم مَّآ ءَاتَيۡتُم بِٱلۡمَعۡرُوفِۗ وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ بِمَا تَعۡمَلُونَ بَصِيرٞ ٢٣٣
De moeders (gescheiden vrouwen) zullen hun kinderen twee volle jaren zogen, (dat is) voor die (ouders) die de zoogtijd willen voltooien, maar de vader van het kind moet de kosten van de voeding en kleding van de moeder dragen op een redelijke basis. Niemand zal een last zwaarder te dragen hebben dan hij kan. Geen moeder zal oneerlijk behandeld worden voor haar kind, noch een vader voor zijn kind. En op de erfgenamen rust dezelfde plicht. Als zij beiden tot het spenen besluiten, door gezamenlijke overeenstemming en goed overleg, dan berust daar geen zonde voor hen in. En als jullie beslissen tot een min voor jullie kinderen is daar geen zonde voor jullie in, mits jullie (de min) redelijk betalen wat jullie overeengekomen zijn (om haar te geven). En vrees Allah en weet dat Allah de Alziende is van wat jullie doen.
Walwalidatu yurdiAAna awladahunna hawlayni kamilayni liman arada an yutimma arradaAAata waAAala almawloedi lahu rizquhunna wakiswatuhunna bilmaAAroefi la tukallafu nafsun illa wusAAaha la tudarra walidatun biwaladiha wala mawloedun lahu biwaladihi waAAala alwarithi mithlu thalika fain arada fisalan AAan taradin minhuma watashawurin fala junaha AAalayhima wain aradtum an tastardiAAoe awladakum fala junaha AAalaykum itha sallamtum ma ataytum bilmaAAroefi wattaqoe Allaha waAAlamoe anna Allaha bima taAAmaloena baseer
وَٱلَّذِينَ يُتَوَفَّوۡنَ مِنكُمۡ وَيَذَرُونَ أَزۡوَٰجٗا يَتَرَبَّصۡنَ بِأَنفُسِهِنَّ أَرۡبَعَةَ أَشۡهُرٖ وَعَشۡرٗاۖ فَإِذَا بَلَغۡنَ أَجَلَهُنَّ فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡكُمۡ فِيمَا فَعَلۡنَ فِيٓ أَنفُسِهِنَّ بِٱلۡمَعۡرُوفِۗ وَٱللَّهُ بِمَا تَعۡمَلُونَ خَبِيرٞ ٢٣٤
En degenen van jullie die sterven en vrouwen achter laten, zij zullen vier maanden en tien dagen wachten, als zij de periode voltooid hebben, is er geen zonde voor jullie of hen om beschikbaar te zijn (voor het huwelijk) als dit op een rechtvaardige en eerbare manier gebeurt. En Allah is Welbewust van wat jullie doen.
Wallatheena yutawaffawna minkum wayatharoena azwajan yatarabbasna bianfusihinna arbaAAata ashhurin waAAashran faitha balaghna ajalahunna fala junaha AAalaykum feema faAAalna fee anfusihinna bilmaAAroefi wallahu bima taAAmaloena khabeer
وَلَا جُنَاحَ عَلَيۡكُمۡ فِيمَا عَرَّضۡتُم بِهِۦ مِنۡ خِطۡبَةِ ٱلنِّسَآءِ أَوۡ أَكۡنَنتُمۡ فِيٓ أَنفُسِكُمۡۚ عَلِمَ ٱللَّهُ أَنَّكُمۡ سَتَذۡكُرُونَهُنَّ وَلَٰكِن لَّا تُوَاعِدُوهُنَّ سِرًّا إِلَّآ أَن تَقُولُواْ قَوۡلٗا مَّعۡرُوفٗاۚ وَلَا تَعۡزِمُواْ عُقۡدَةَ ٱلنِّكَاحِ حَتَّىٰ يَبۡلُغَ ٱلۡكِتَٰبُ أَجَلَهُۥۚ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ يَعۡلَمُ مَا فِيٓ أَنفُسِكُمۡ فَٱحۡذَرُوهُۚ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ غَفُورٌ حَلِيمٞ ٢٣٥
En er is geen zonde voor jullie als jullie naar een verloving verwijzen of het in jullie zelf verbergen, Allah weet dat jullie aan hen zullen denken, maar sluit niet in het geheim een contract met hen af, behalve als je op een eerbare manier volgens de islamitische wet spreekt, en consumeer het huwelijk niet voordat de voorgeschreven periode verstreken is. En weet dat Allah weet wat in jullie gedachten is, vrees Hem dus. En weet dat Allah de Vergevingsgezinde, de Genadevolle is.
Wala junaha AAalaykum feema AAarradtum bihi min khitbati annisai aw aknantum fee anfusikum AAalima Allahu annakum satathkuroenahunna walakin la tuwaAAidoehunna sirran illa an taqoeloe qawlan maAAroefan wala taAAzimoe AAuqdata annikahi hatta yablugha alkitabu ajalahu waAAlamoe anna Allaha yaAAlamu ma fee anfusikum fahtharoehu waAAlamoe anna Allaha ghafoerun haleem
لَّا جُنَاحَ عَلَيۡكُمۡ إِن طَلَّقۡتُمُ ٱلنِّسَآءَ مَا لَمۡ تَمَسُّوهُنَّ أَوۡ تَفۡرِضُواْ لَهُنَّ فَرِيضَةٗۚ وَمَتِّعُوهُنَّ عَلَى ٱلۡمُوسِعِ قَدَرُهُۥ وَعَلَى ٱلۡمُقۡتِرِ قَدَرُهُۥ مَتَٰعَۢا بِٱلۡمَعۡرُوفِۖ حَقًّا عَلَى ٱلۡمُحۡسِنِينَ ٢٣٦
Er is geen zonde voor jullie als jullie van vrouwen scheiden, voordat jullie ze hebben aangeraakt noch voordat hun bruidsschat bepaald is. Maar geef hen, de rijken volgens hun vermogen en de armen volgens hun vermogen, een redelijke gift is verplicht voor de weldoeners.
La junaha AAalaykum in tallaqtumu annisaa ma lam tamassoehunna aw tafridoe lahunna fareedatan wamattiAAoehunna AAala almoesiAAi qadaruhu waAAala almuqtiri qadaruhu mataAAan bilmaAAroefi haqqan AAala almuhsineen
وَإِن طَلَّقۡتُمُوهُنَّ مِن قَبۡلِ أَن تَمَسُّوهُنَّ وَقَدۡ فَرَضۡتُمۡ لَهُنَّ فَرِيضَةٗ فَنِصۡفُ مَا فَرَضۡتُمۡ إِلَّآ أَن يَعۡفُونَ أَوۡ يَعۡفُوَاْ ٱلَّذِي بِيَدِهِۦ عُقۡدَةُ ٱلنِّكَاحِۚ وَأَن تَعۡفُوٓاْ أَقۡرَبُ لِلتَّقۡوَىٰۚ وَلَا تَنسَوُاْ ٱلۡفَضۡلَ بَيۡنَكُمۡۚ إِنَّ ٱللَّهَ بِمَا تَعۡمَلُونَ بَصِيرٌ ٢٣٧
En als jullie hen scheiden voordat jullie hen hebben aangeraakt en jullie de bruidsschat hebben bepaald, geeft dan de helft van wat jullie hebben vastgesteld, tenzij zij besluiten om daarvan af te zien of hij, in wiens handen de huwelijksband ligt, besluit om daarvan af te zien en haar de hele mahr te betalen. En er van af zien en haar de hele bepaalde bruidschat te betalen, is dichter bij vroomheid. En vergeet niet elkaars goede eigenschappen. Waarlijk, Allah is de Alziende van wat jullie doen.
Wain tallaqtumoehunna min qabli an tamassoehunna waqad faradtum lahunna fareedatan fanisfu ma faradtum illa an yaAAfoena aw yaAAfuwa allathee biyadihi AAuqdatu annikahi waan taAAfoe aqrabu littaqwa wala tansawoe alfadla baynakum inna Allaha bima taAAmaloena baseer
حَٰفِظُواْ عَلَى ٱلصَّلَوَٰتِ وَٱلصَّلَوٰةِ ٱلۡوُسۡطَىٰ وَقُومُواْ لِلَّهِ قَٰنِتِينَ ٢٣٨
Waak over de gebeden en (in het bijzonder) over het middelste gebed. En sta voor Allah "in ootmoed.
Hafithoe AAala assalawati wassalati alwusta waqoemoe lillahi qaniteen
فَإِنۡ خِفۡتُمۡ فَرِجَالًا أَوۡ رُكۡبَانٗاۖ فَإِذَآ أَمِنتُمۡ فَٱذۡكُرُواْ ٱللَّهَ كَمَا عَلَّمَكُم مَّا لَمۡ تَكُونُواْ تَعۡلَمُونَ ٢٣٩
En als jullie in gevaar verkeren, bidt dan lopend of rijdend. En als jullie weer in veiligheid verkeren verricht het gebed op de manier zoals Hij jullie heeft onderwezen, wat jullie voorheen niet wisten.
Fain khiftum farijalan aw rukbanan faitha amintum fathkuroe Allaha kama AAallamakum ma lam takoenoe taAAlamoen
وَٱلَّذِينَ يُتَوَفَّوۡنَ مِنكُمۡ وَيَذَرُونَ أَزۡوَٰجٗا وَصِيَّةٗ لِّأَزۡوَٰجِهِم مَّتَٰعًا إِلَى ٱلۡحَوۡلِ غَيۡرَ إِخۡرَاجٖۚ فَإِنۡ خَرَجۡنَ فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡكُمۡ فِي مَا فَعَلۡنَ فِيٓ أَنفُسِهِنَّ مِن مَّعۡرُوفٖۗ وَٱللَّهُ عَزِيزٌ حَكِيمٞ ٢٤٠
En degenen onder jullie die sterven en vrouwen nalaten moeten een testament maken voor hun vrouwen, een voorziening van een jaar, zonder uitzetting, maar als zij (de huizen) uit vrije wil verlaten, is er geen zonde voor jullie want dat doen zij zelf, volgens de voorschriften. En Allah is de Almachtige, de Alwijze.
Wallatheena yutawaffawna minkum wayatharoena azwajan wasiyyatan liazwajihim mataAAan ila alhawli ghayra ikhrajin fain kharajna fala junaha AAalaykum fee ma faAAalna fee anfusihinna min maAAroefin wallahu AAazeezun hakeem
وَلِلۡمُطَلَّقَٰتِ مَتَٰعُۢ بِٱلۡمَعۡرُوفِۖ حَقًّا عَلَى ٱلۡمُتَّقِينَ ٢٤١
En voor de gescheiden vrouwen moet redelijk onderhoud verzorgd worden. Dit is een plicht voor godvrezenden.
Walilmutallaqati mataAAun bilmaAAroefi haqqan AAala almuttaqeen
كَذَٰلِكَ يُبَيِّنُ ٱللَّهُ لَكُمۡ ءَايَٰتِهِۦ لَعَلَّكُمۡ تَعۡقِلُونَ ٢٤٢
Allah maakt dus Zijn wetten voor jullie duidelijk om jullie het te laten begrijpen.
Kathalika yubayyinu Allahu lakum ayatihi laAAallakum taAAqiloen
۞ أَلَمۡ تَرَ إِلَى ٱلَّذِينَ خَرَجُواْ مِن دِيَٰرِهِمۡ وَهُمۡ أُلُوفٌ حَذَرَ ٱلۡمَوۡتِ فَقَالَ لَهُمُ ٱللَّهُ مُوتُواْ ثُمَّ أَحۡيَٰهُمۡۚ إِنَّ ٱللَّهَ لَذُو فَضۡلٍ عَلَى ٱلنَّاسِ وَلَٰكِنَّ أَكۡثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَشۡكُرُونَ ٢٤٣
Heb jij niet gedacht aan degenen die uit hun huizen wegtrokken met duizenden tegelijk, de dood vrezend? Allah zei tegen hen: “Sterf”. En toen bracht Hij hen weer tot leven. Waarlijk, Allah is vol gaven voor de mensheid, maar de meeste mensen bedanken niet.
Alam tara ila allatheena kharajoe min diyarihim wahum oloefun hathara almawti faqala lahumu Allahu moetoe thumma ahyahum inna Allaha lathoe fadlin AAala annasi walakinna akthara annasi la yashkuroen
وَقَٰتِلُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ سَمِيعٌ عَلِيمٞ ٢٤٤
En vecht op het Pad van Allah en weet dat Allah de Alhorende, de Alwetende is.
Waqatiloe fee sabeeli Allahi waAAlamoe anna Allaha sameeAAun AAaleem
مَّن ذَا ٱلَّذِي يُقۡرِضُ ٱللَّهَ قَرۡضًا حَسَنٗا فَيُضَٰعِفَهُۥ لَهُۥٓ أَضۡعَافٗا كَثِيرَةٗۚ وَٱللَّهُ يَقۡبِضُ وَيَبۡصُۜطُ وَإِلَيۡهِ تُرۡجَعُونَ ٢٤٥
Wie is degene die aan Allah een goede lening geeft, zodat Hij hem het in veelvoud terug mag geven? En het is Allah die vermindert of vermeerdert, en tot Hem zullen jullie terugkeren.
Man tha allathee yuqridu Allaha qardan hasanan fayudaAAifahu lahu adAAafan katheeratan wallahu yaqbidu wayabsutu wailayhi turjaAAoen
أَلَمۡ تَرَ إِلَى ٱلۡمَلَإِ مِنۢ بَنِيٓ إِسۡرَٰٓءِيلَ مِنۢ بَعۡدِ مُوسَىٰٓ إِذۡ قَالُواْ لِنَبِيّٖ لَّهُمُ ٱبۡعَثۡ لَنَا مَلِكٗا نُّقَٰتِلۡ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِۖ قَالَ هَلۡ عَسَيۡتُمۡ إِن كُتِبَ عَلَيۡكُمُ ٱلۡقِتَالُ أَلَّا تُقَٰتِلُواْۖ قَالُواْ وَمَا لَنَآ أَلَّا نُقَٰتِلَ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ وَقَدۡ أُخۡرِجۡنَا مِن دِيَٰرِنَا وَأَبۡنَآئِنَاۖ فَلَمَّا كُتِبَ عَلَيۡهِمُ ٱلۡقِتَالُ تَوَلَّوۡاْ إِلَّا قَلِيلٗا مِّنۡهُمۡۚ وَٱللَّهُ عَلِيمُۢ بِٱلظَّٰلِمِينَ ٢٤٦
Hebben jullie niet gedacht aan de leiders van de Kinderen van Israël na (het heengaan van) Mozes? Toen zij tegen een Profeet van hen zeiden: “Wijs voor ons een koning aan en wij zullen op het Pad van Allah strijden.” Hij zei: “Zullen jullie je dan van het strijden afhouden, als het strijden jullie voorgeschreven is?” Zij zeiden: “Waarom zullen wij niet op het Pad van Allah strijden als wij uit onze huizen zijn verdreven en (die) van onze kinderen?” Maar toen het strijden hen geboden was, keerden zij zich ervan af, behalve een paar van hen. En Allah is zich goed bewust van de onrechtvaardigen.
Alam tara ila almalai min banee israeela min baAAdi moesa ith qaloe linabiyyin lahumu ibAAath lana malikan nuqatil fee sabeeli Allahi qala hal AAasaytum in kutiba AAalaykumu alqitalu alla tuqatiloe qaloe wama lana alla nuqatila fee sabeeli Allahi waqad okhrijna min diyarina waabnaina falamma kutiba AAalayhimu alqitalu tawallaw illa qaleelan minhum wallahu AAaleemun biththalimeen
وَقَالَ لَهُمۡ نَبِيُّهُمۡ إِنَّ ٱللَّهَ قَدۡ بَعَثَ لَكُمۡ طَالُوتَ مَلِكٗاۚ قَالُوٓاْ أَنَّىٰ يَكُونُ لَهُ ٱلۡمُلۡكُ عَلَيۡنَا وَنَحۡنُ أَحَقُّ بِٱلۡمُلۡكِ مِنۡهُ وَلَمۡ يُؤۡتَ سَعَةٗ مِّنَ ٱلۡمَالِۚ قَالَ إِنَّ ٱللَّهَ ٱصۡطَفَىٰهُ عَلَيۡكُمۡ وَزَادَهُۥ بَسۡطَةٗ فِي ٱلۡعِلۡمِ وَٱلۡجِسۡمِۖ وَٱللَّهُ يُؤۡتِي مُلۡكَهُۥ مَن يَشَآءُۚ وَٱللَّهُ وَٰسِعٌ عَلِيمٞ ٢٤٧
En hun Profeet zei tegen hen: “Waarlijk Allah heeft Thālōet voor jullie als koning aangewezen.” Zij zeiden: “Hoe kan hij een koning voor ons zijn, terwijl wij meer recht hebben op het koningschap dan hij en hem geen overvloed aan bezittingen is gegeven?” Hij zei: “Waarlijk, Allah heeft hem boven jullie uitverkoren en heeft hem overvloedig voorzien in kennis en lichaamskracht. En Allah geeft Zijn koningschap aan wie Hij wil. En Allah is Allesomvattend, Alwetend.
Waqala lahum nabiyyuhum inna Allaha qad baAAatha lakum taloeta malikan qaloe anna yakoenu lahu almulku AAalayna wanahnu ahaqqu bilmulki minhu walam yuta saAAatan mina almali qala inna Allaha istafahu AAalaykum wazadahu bastatan fee alAAilmi waljismi wallahu yutee mulkahu man yashao wallahu wasiAAun AAaleem
وَقَالَ لَهُمۡ نَبِيُّهُمۡ إِنَّ ءَايَةَ مُلۡكِهِۦٓ أَن يَأۡتِيَكُمُ ٱلتَّابُوتُ فِيهِ سَكِينَةٞ مِّن رَّبِّكُمۡ وَبَقِيَّةٞ مِّمَّا تَرَكَ ءَالُ مُوسَىٰ وَءَالُ هَٰرُونَ تَحۡمِلُهُ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةُۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَأٓيَةٗ لَّكُمۡ إِن كُنتُم مُّؤۡمِنِينَ ٢٤٨
En hun Profeet zei tot hen: “Waarlijk! Het teken van Zijn koningsschap is dat er tot jullie de ark des verbonds komt, waarin vrede en zekerheid is van jullie Heer en waarin zich een nalatenschap bevindt van wat is nagelaten door de familie van Mozes en de familie van Hārōen. De Engelen zullen hem (de ark) dragen. Waarlijk, hierin is een teken voor jullie, als jullie gelovigen zijn.
Waqala lahum nabiyyuhum inna ayata mulkihi an yatiyakumu attaboetu feehi sakeenatun min rabbikum wabaqiyyatun mimma taraka alu moesa waalu haroena tahmiluhu almalaikatu inna fee thalika laayatan lakum in kuntum mumineen
فَلَمَّا فَصَلَ طَالُوتُ بِٱلۡجُنُودِ قَالَ إِنَّ ٱللَّهَ مُبۡتَلِيكُم بِنَهَرٖ فَمَن شَرِبَ مِنۡهُ فَلَيۡسَ مِنِّي وَمَن لَّمۡ يَطۡعَمۡهُ فَإِنَّهُۥ مِنِّيٓ إِلَّا مَنِ ٱغۡتَرَفَ غُرۡفَةَۢ بِيَدِهِۦۚ فَشَرِبُواْ مِنۡهُ إِلَّا قَلِيلٗا مِّنۡهُمۡۚ فَلَمَّا جَاوَزَهُۥ هُوَ وَٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ مَعَهُۥ قَالُواْ لَا طَاقَةَ لَنَا ٱلۡيَوۡمَ بِجَالُوتَ وَجُنُودِهِۦۚ قَالَ ٱلَّذِينَ يَظُنُّونَ أَنَّهُم مُّلَٰقُواْ ٱللَّهِ كَم مِّن فِئَةٖ قَلِيلَةٍ غَلَبَتۡ فِئَةٗ كَثِيرَةَۢ بِإِذۡنِ ٱللَّهِۗ وَٱللَّهُ مَعَ ٱلصَّٰبِرِينَ ٢٤٩
Toen Thālōet met zijn leger optrok, zei hij: “Waarlijk! Allah zal jullie bij een rivier beproeven. Wie daarvan drinkt, behoort niet tot mij en wie daarvan niet proeft, behoort tot mij, behalve degene die maar een handvol neemt.” Maar toch dronken zij daarvan, behalve een paar van hen. Dus toen hij, en degenen die hem geloofden (de rivier) waren overgestoken, zeiden zij: “Deze dag hebben wij geen macht tegen Djālōet (Goliat) en zijn strijdkrachten.” Maar degenen die met zekerheid wisten dat zij hun Heer zouden ontmoeten, zeiden: “Hoe vaak heeft een kleine groep al niet een machtig leger verslagen met Allah’s hulp?” En Allah staat aan de kant van de geduldigen, (want Zijn hulp komt samen met geduld).
Falamma fasala taloetu biljunoedi qala inna Allaha mubtaleekum binaharin faman shariba minhu falaysa minnee waman lam yatAAamhu fainnahu minnee illa mani ightarafa ghurfatan biyadihi fashariboe minhu illa qaleelan minhum falamma jawazahu huwa wallatheena amanoe maAAahu qaloe la taqata lana alyawma bijaloeta wajunoedihi qala allatheena yathunnoena annahum mulaqoe Allahi kam min fiatin qaleelatin ghalabat fiatan katheeratan biithni Allahi wallahu maAAa assabireen
وَلَمَّا بَرَزُواْ لِجَالُوتَ وَجُنُودِهِۦ قَالُواْ رَبَّنَآ أَفۡرِغۡ عَلَيۡنَا صَبۡرٗا وَثَبِّتۡ أَقۡدَامَنَا وَٱنصُرۡنَا عَلَى ٱلۡقَوۡمِ ٱلۡكَٰفِرِينَ ٢٥٠
En toen zij naderden om Djālōet (Goliat) met zijn leger te ontmoeten, riepen zij: “Onze Heer! Geef ons geduld en maak ons de overwinnaars over de ongelovige mensen.”
Walamma barazoe lijaloeta wajunoedihi qaloe rabbana afrigh AAalayna sabran wathabbit aqdamana wansurna AAala alqawmi alkafireen
فَهَزَمُوهُم بِإِذۡنِ ٱللَّهِ وَقَتَلَ دَاوُۥدُ جَالُوتَ وَءَاتَىٰهُ ٱللَّهُ ٱلۡمُلۡكَ وَٱلۡحِكۡمَةَ وَعَلَّمَهُۥ مِمَّا يَشَآءُۗ وَلَوۡلَا دَفۡعُ ٱللَّهِ ٱلنَّاسَ بَعۡضَهُم بِبَعۡضٖ لَّفَسَدَتِ ٱلۡأَرۡضُ وَلَٰكِنَّ ٱللَّهَ ذُو فَضۡلٍ عَلَى ٱلۡعَٰلَمِينَ ٢٥١
Dus versloegen zij hen met Allah’s hulp en Dāwōed doodde Djaloet en Allah gaf hem het koningschap en de Wijsheid (het Profeetschap) en Hij onderwees hem wat Hij wilde. En als Allah niet een deel van de mensen door een ander (deel) zou verstoten, dan zou de aarde waarlijk vol ellende zijn. Maar Allah is de Bezitter van gunsten voor de werelden.
Fahazamoehum biithni Allahi waqatala dawoedu jaloeta waatahu Allahu almulka walhikmata waAAallamahu mimma yashao walawla dafAAu Allahi annasa baAAdahum bibaAAdin lafasadati alardu walakinna Allaha thoe fadlin AAala alAAalameen
تِلۡكَ ءَايَٰتُ ٱللَّهِ نَتۡلُوهَا عَلَيۡكَ بِٱلۡحَقِّۚ وَإِنَّكَ لَمِنَ ٱلۡمُرۡسَلِينَ ٢٥٢
Dit zijn de Verzen van Allah, Wij reciteren het aan jou met Waarheid en waarlijk, jij (O Mohammed) bent een van de Boodschappers. ۞
Tilka ayatu Allahi natloeha AAalayka bilhaqqi wainnaka lamina almursaleen
۞ تِلۡكَ ٱلرُّسُلُ فَضَّلۡنَا بَعۡضَهُمۡ عَلَىٰ بَعۡضٖۘ مِّنۡهُم مَّن كَلَّمَ ٱللَّهُۖ وَرَفَعَ بَعۡضَهُمۡ دَرَجَٰتٖۚ وَءَاتَيۡنَا عِيسَى ٱبۡنَ مَرۡيَمَ ٱلۡبَيِّنَٰتِ وَأَيَّدۡنَٰهُ بِرُوحِ ٱلۡقُدُسِۗ وَلَوۡ شَآءَ ٱللَّهُ مَا ٱقۡتَتَلَ ٱلَّذِينَ مِنۢ بَعۡدِهِم مِّنۢ بَعۡدِ مَا جَآءَتۡهُمُ ٱلۡبَيِّنَٰتُ وَلَٰكِنِ ٱخۡتَلَفُواْ فَمِنۡهُم مَّنۡ ءَامَنَ وَمِنۡهُم مَّن كَفَرَۚ وَلَوۡ شَآءَ ٱللَّهُ مَا ٱقۡتَتَلُواْ وَلَٰكِنَّ ٱللَّهَ يَفۡعَلُ مَا يُرِيدُ ٢٥٣
Dat zijn de Boodschappers van wie Wij sommigen boven de anderen hebben uitverkoren; tegen sommigen van hen heeft Allah gesproken; anderen heeft Hij in graden verheven; en aan Jezus, de zoon van Maryam hebben Wij duidelijke Bewijzen gegeven, en hem met de geest der heiligheid ondersteund. En als Allah het gewild had, dan hadden opeenvolgende generaties niet met elkaar gevochten nadat de duidelijke verzen van Allah tot hen gekomen waren, maar zij verschillen van mening; sommigen van hen geloven en anderen geloven niet. Als Allah het gewild had dan hadden zij niet tegen elkaar gevochten, maar Allah doet wat Hij wil.
Tilka arrusulu faddalna baAAdahum AAala baAAdin minhum man kallama Allahu warafaAAa baAAdahum darajatin waatayna AAeesa ibna maryama albayyinati waayyadnahu biroehi alqudusi walaw shaa Allahu ma iqtatala allatheena min baAAdihim min baAAdi ma jaathumu albayyinatu walakini ikhtalafoe faminhum man amana waminhum man kafara walaw shaa Allahu ma iqtataloe walakinna Allaha yafAAalu ma yureed
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ أَنفِقُواْ مِمَّا رَزَقۡنَٰكُم مِّن قَبۡلِ أَن يَأۡتِيَ يَوۡمٞ لَّا بَيۡعٞ فِيهِ وَلَا خُلَّةٞ وَلَا شَفَٰعَةٞۗ وَٱلۡكَٰفِرُونَ هُمُ ٱلظَّٰلِمُونَ ٢٥٤
O jullie die geloven! Geef bijdragen waarmee Wij jullie voorzien hebben, want er zal een dag aanbreken waarin geen handel, vriendschap of bemiddeling zal zijn. En het zijn de ongelovigen die onrechtvaardig zijn.
Ya-ayyuha allatheena amanoe anfiqoe mimma razaqnakum min qabli an yatiya yawmun la bayAAun feehi wala khullatun wala shafaAAatun walkafiroena humu aththalimoen
ٱللَّهُ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ ٱلۡحَيُّ ٱلۡقَيُّومُۚ لَا تَأۡخُذُهُۥ سِنَةٞ وَلَا نَوۡمٞۚ لَّهُۥ مَا فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِي ٱلۡأَرۡضِۗ مَن ذَا ٱلَّذِي يَشۡفَعُ عِندَهُۥٓ إِلَّا بِإِذۡنِهِۦۚ يَعۡلَمُ مَا بَيۡنَ أَيۡدِيهِمۡ وَمَا خَلۡفَهُمۡۖ وَلَا يُحِيطُونَ بِشَيۡءٖ مِّنۡ عِلۡمِهِۦٓ إِلَّا بِمَا شَآءَۚ وَسِعَ كُرۡسِيُّهُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَۖ وَلَا يَـُٔودُهُۥ حِفۡظُهُمَاۚ وَهُوَ ٱلۡعَلِيُّ ٱلۡعَظِيمُ ٢٥٥
Allah! Er is geen godheid dan Hij (die het recht heeft aanbeden te worden), de eeuwig Levende, de Zelfstandige. Sluimer noch slaap kan Hem treffen. Hij is de Bezitter van de hemelen en de aarde, en al wat er zich in bevindt. Wie kan bij Hem bemiddelen zonder Zijn toestemming? Hij kent wat er voor hen is en wat er achter hen is. Zij kunnen niets van Zijn kennis onthullen, tenzij Hij dat wil. Zijn troon strekt zich uit (ver) over de Hemelen en de Aarde, (maar) het waken hierover vermoeit Hem helemaal niet. Hij is de meest Verhevene, de Almachtige.
Allahu la ilaha illa huwa alhayyu alqayyoemu la takhuthuhu sinatun wala nawmun lahu ma fee assamawati wama fee alardi man tha allathee yashfaAAu AAindahu illa biithnihi yaAAlamu ma bayna aydeehim wama khalfahum wala yuheetoena bishayin min AAilmihi illa bima shaa wasiAAa kursiyyuhu assamawati walarda wala yaoeduhu hifthuhuma wahuwa alAAaliyyu alAAatheem
لَآ إِكۡرَاهَ فِي ٱلدِّينِۖ قَد تَّبَيَّنَ ٱلرُّشۡدُ مِنَ ٱلۡغَيِّۚ فَمَن يَكۡفُرۡ بِٱلطَّٰغُوتِ وَيُؤۡمِنۢ بِٱللَّهِ فَقَدِ ٱسۡتَمۡسَكَ بِٱلۡعُرۡوَةِ ٱلۡوُثۡقَىٰ لَا ٱنفِصَامَ لَهَاۗ وَٱللَّهُ سَمِيعٌ عَلِيمٌ ٢٥٦
Er is geen dwang in de godsdienst. Waarlijk, het rechte Pad is duidelijk te onderscheiden van het pad dat doet afdwalen. Iedereen die niet in afgoden gelooft, en in Allah gelooft heeft een sterk houvast gegrepen dat nooit zal afbreken. En Allah is de Alhorende, de Alwetende.
La ikraha fee addeeni qad tabayyana arrushdu mina alghayyi faman yakfur bittaghoeti wayumin billahi faqadi istamsaka bilAAurwati alwuthqa la infisama laha wallahu sameeAAun AAaleem
ٱللَّهُ وَلِيُّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ يُخۡرِجُهُم مِّنَ ٱلظُّلُمَٰتِ إِلَى ٱلنُّورِۖ وَٱلَّذِينَ كَفَرُوٓاْ أَوۡلِيَآؤُهُمُ ٱلطَّٰغُوتُ يُخۡرِجُونَهُم مِّنَ ٱلنُّورِ إِلَى ٱلظُّلُمَٰتِۗ أُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلنَّارِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٢٥٧
Allah is de Behoeder van degenen die geloven. Hij brengt hen uit de duisternis in het licht. (En voor) de ongelovigen zijn er bondgenoten van de Thaghōets. Zij leiden hen van het licht naar de duisternis (zoals de Joden, die Mohammed niet erkenden). Zij zijn de bewoners van het Hellevuur, waarin zij eeuwig en altijd zullen verblijven.
Allahu waliyyu allatheena amanoe yukhrijuhum mina aththulumati ila annoeri wallatheena kafaroe awliyaohumu attaghoetu yukhrijoenahum mina annoeri ila aththulumati olaika ashabu annari hum feeha khalidoen
أَلَمۡ تَرَ إِلَى ٱلَّذِي حَآجَّ إِبۡرَٰهِـۧمَ فِي رَبِّهِۦٓ أَنۡ ءَاتَىٰهُ ٱللَّهُ ٱلۡمُلۡكَ إِذۡ قَالَ إِبۡرَٰهِـۧمُ رَبِّيَ ٱلَّذِي يُحۡيِۦ وَيُمِيتُ قَالَ أَنَا۠ أُحۡيِۦ وَأُمِيتُۖ قَالَ إِبۡرَٰهِـۧمُ فَإِنَّ ٱللَّهَ يَأۡتِي بِٱلشَّمۡسِ مِنَ ٱلۡمَشۡرِقِ فَأۡتِ بِهَا مِنَ ٱلۡمَغۡرِبِ فَبُهِتَ ٱلَّذِي كَفَرَۗ وَٱللَّهُ لَا يَهۡدِي ٱلۡقَوۡمَ ٱلظَّٰلِمِينَ ٢٥٨
Heb jij niet nagedacht over degene die met Abraham redetwistte over zijn Heer, omdat Allah hem het koninkrijk gegeven had? Toen Abraham tegen hem zei: “Mijn Heer is Degene Die het leven geeft en doet sterven.” Hij zei: “Ik doe leven en sterven.” Abraham zei: “Waarlijk! Allah laat de zon in het Oosten opkomen, laat u hem dan van het Westen opkomen.” De ongelovige zweeg toen van verbazing. En Allah leidt niet de mensen die onrechtvaardig zijn.
Alam tara ila allathee hajja ibraheema fee rabbihi an atahu Allahu almulka ith qala ibraheemu rabbiya allathee yuhyee wayumeetu qala ana ohyee waomeetu qala ibraheemu fainna Allaha yatee bishshamsi mina almashriqi fati biha mina almaghribi fabuhita allathee kafara wallahu la yahdee alqawma aththalimeen
أَوۡ كَٱلَّذِي مَرَّ عَلَىٰ قَرۡيَةٖ وَهِيَ خَاوِيَةٌ عَلَىٰ عُرُوشِهَا قَالَ أَنَّىٰ يُحۡيِۦ هَٰذِهِ ٱللَّهُ بَعۡدَ مَوۡتِهَاۖ فَأَمَاتَهُ ٱللَّهُ مِاْئَةَ عَامٖ ثُمَّ بَعَثَهُۥۖ قَالَ كَمۡ لَبِثۡتَۖ قَالَ لَبِثۡتُ يَوۡمًا أَوۡ بَعۡضَ يَوۡمٖۖ قَالَ بَل لَّبِثۡتَ مِاْئَةَ عَامٖ فَٱنظُرۡ إِلَىٰ طَعَامِكَ وَشَرَابِكَ لَمۡ يَتَسَنَّهۡۖ وَٱنظُرۡ إِلَىٰ حِمَارِكَ وَلِنَجۡعَلَكَ ءَايَةٗ لِّلنَّاسِۖ وَٱنظُرۡ إِلَى ٱلۡعِظَامِ كَيۡفَ نُنشِزُهَا ثُمَّ نَكۡسُوهَا لَحۡمٗاۚ فَلَمَّا تَبَيَّنَ لَهُۥ قَالَ أَعۡلَمُ أَنَّ ٱللَّهَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٞ ٢٥٩
Of (gedenk) degene die langs een (verlaten) stad kwam die volledig uit ruïnes bestond. Hij zei: “Oh! Hoe zal Allah (deze stad) doen herleven na haar vernietiging?” Daarop liet Allah hem sterven voor honderd jaar, waarna Hij hem deed herleven. Vervolgens vroeg Hij: “Hoe lang heb je hier" doorgebracht?” Hij antwoordde: “Misschien was ik hier een dag of een deel van de dag.” Hij zei: “Nee, jij hebt hier honderd jaar doorgebracht. Kijk nu naar je eten en drinken (nl. een mand vijgen en wat druivensap) zij zijn (na een volle eeuw) niet bedorven (noch van kleur veranderd). En kijk naar je ezel (waarvan enkel nog het geraamte rest)! (Een duidelijk bewijs van het wonder) En zo hebben Wij van jou een teken (van de heropstanding) gemaakt voor de mensen. Kijk naar de beenderen (van jouw ezel), hoe Wij ze (terug) samenbrengen en met vlees bedekken.” Zodra hem alles duidelijk werd, zei hij: “(Nu) ben ik vast en zeker overtuigd dat Allah tot alle dingen in staat is.”
Aw kallathee marra AAala qaryatin wahiya khawiyatun AAala AAuroeshiha qala anna yuhyee hathihi Allahu baAAda mawtiha faamatahu Allahu miata AAamin thumma baAAathahu qala kam labithta qala labithtu yawman aw baAAda yawmin qala bal labithta miata AAamin fanthur ila taAAamika washarabika lam yatasannah wanthur ila himarika walinajAAalaka ayatan linnasi wanthur ila alAAithami kayfa nunshizuha thumma naksoeha lahman falamma tabayyana lahu qala aAAlamu anna Allaha AAala kulli shayin qadeer
وَإِذۡ قَالَ إِبۡرَٰهِـۧمُ رَبِّ أَرِنِي كَيۡفَ تُحۡيِ ٱلۡمَوۡتَىٰۖ قَالَ أَوَلَمۡ تُؤۡمِنۖ قَالَ بَلَىٰ وَلَٰكِن لِّيَطۡمَئِنَّ قَلۡبِيۖ قَالَ فَخُذۡ أَرۡبَعَةٗ مِّنَ ٱلطَّيۡرِ فَصُرۡهُنَّ إِلَيۡكَ ثُمَّ ٱجۡعَلۡ عَلَىٰ كُلِّ جَبَلٖ مِّنۡهُنَّ جُزۡءٗا ثُمَّ ٱدۡعُهُنَّ يَأۡتِينَكَ سَعۡيٗاۚ وَٱعۡلَمۡ أَنَّ ٱللَّهَ عَزِيزٌ حَكِيمٞ ٢٦٠
En (gedenk) toen Ibrahim (zonder argwaan of twijfels) zei: “Mijn Heer! Toon mij (in levenden lijve) hoe U de doden weer tot leven wekt.” Hij zei: “Geloof je dan niet (met je hart)?” Hij zei: “Jawel, maar opdat mijn hart tot rust komt.” Hij zei: “Neem vier (verschillende) vogels: slacht ze, snijdt ze in stukken, (haal ze door elkaar en maak er vier porties van). Verdeel hen vervolgens over (vier verschillende) bergen. Roep hen op (met de vogelkoppen in de hand), en ze (de verschillende stukken) zullen zich haasten en naar jou toekomen (om zich aan de kop te hechten en weer een volledige levende vogel te vormen). En weet dat Allah Almachtig is, Alwijs.
Waith qala ibraheemu rabbi arinee kayfa tuhyee almawta qala awalam tumin qala bala walakin liyatmainna qalbee qala fakhuth arbaAAatan mina attayri fasurhunna ilayka thumma ijAAal AAala kulli jabalin minhunna juzan thumma odAAuhunna yateenaka saAAyan waAAlam anna Allaha AAazeezun hakeem
مَّثَلُ ٱلَّذِينَ يُنفِقُونَ أَمۡوَٰلَهُمۡ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ كَمَثَلِ حَبَّةٍ أَنۢبَتَتۡ سَبۡعَ سَنَابِلَ فِي كُلِّ سُنۢبُلَةٖ مِّاْئَةُ حَبَّةٖۗ وَٱللَّهُ يُضَٰعِفُ لِمَن يَشَآءُۚ وَٱللَّهُ وَٰسِعٌ عَلِيمٌ ٢٦١
De gelijkenis van degenen die van zijn rijkdommen uitgeeft op het Pad van Allah is als de gelijkenis van een graankorrel; het groeit in zeven aren en iedere aar heeft honderd korrels. Allah geeft het veelvoudige aan degenen waarover Hij tevreden is. En Allah is voldoende voor de noden van Zijn schepselen, Alwetend.
Mathalu allatheena yunfiqoena amwalahum fee sabeeli Allahi kamathali habbatin anbatat sabAAa sanabila fee kulli sunbulatin miatu habbatin wallahu yudaAAifu liman yashao wallahu wasiAAun AAaleem
ٱلَّذِينَ يُنفِقُونَ أَمۡوَٰلَهُمۡ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ ثُمَّ لَا يُتۡبِعُونَ مَآ أَنفَقُواْ مَنّٗا وَلَآ أَذٗى لَّهُمۡ أَجۡرُهُمۡ عِندَ رَبِّهِمۡ وَلَا خَوۡفٌ عَلَيۡهِمۡ وَلَا هُمۡ يَحۡزَنُونَ ٢٦٢
Degenen die hun rijkdommen uitgeven voor Allah en hun giften niet laten opvolgen door de herinnering van hun vrijgevendheid of door kwetsen, hun beloning is bij hun Heer. Zij zullen geen vrees hebben, noch zullen zij bedroefd zijn.
Allatheena yunfiqoena amwalahum fee sabeeli Allahi thumma la yutbiAAoena ma anfaqoe mannan wala athan lahum ajruhum AAinda rabbihim wala khawfun AAalayhim wala hum yahzanoen
۞ قَوۡلٞ مَّعۡرُوفٞ وَمَغۡفِرَةٌ خَيۡرٞ مِّن صَدَقَةٖ يَتۡبَعُهَآ أَذٗىۗ وَٱللَّهُ غَنِيٌّ حَلِيمٞ ٢٦٣
Vriendelijke woorden en de vergeving van zonden zijn beter dan een liefdadigheid die door kwetsen gevolgd wordt. En Allah is Behoefteloos, Zachtmoedig.
Qawlun maAAroefun wamaghfiratun khayrun min sadaqatin yatbaAAuha athan wallahu ghaniyyun haleem
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَا تُبۡطِلُواْ صَدَقَٰتِكُم بِٱلۡمَنِّ وَٱلۡأَذَىٰ كَٱلَّذِي يُنفِقُ مَالَهُۥ رِئَآءَ ٱلنَّاسِ وَلَا يُؤۡمِنُ بِٱللَّهِ وَٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِۖ فَمَثَلُهُۥ كَمَثَلِ صَفۡوَانٍ عَلَيۡهِ تُرَابٞ فَأَصَابَهُۥ وَابِلٞ فَتَرَكَهُۥ صَلۡدٗاۖ لَّا يَقۡدِرُونَ عَلَىٰ شَيۡءٖ مِّمَّا كَسَبُواْۗ وَٱللَّهُ لَا يَهۡدِي ٱلۡقَوۡمَ ٱلۡكَٰفِرِينَ ٢٦٤
O jullie die geloven. Overhandig niet in verwaandheid jullie liefdadigheid door jullie vrijgevendheid te gedenken of door te kwetsen, zoals degenen die zijn weelde uitgeeft om door de mensen gezien te worden. En hij gelooft niet in Allah, noch in de Laatste Dag. En de gelijkenis met hem is als met een gladde rots bedekt met aarde, waarop een zware regenbui valt, die hem kaal achterlaat. Zij zijn niet in staat om iets te doen met wat zij verdiend hebben. En Allah leidt de ongelovige mensen niet.
Ya-ayyuha allatheena amanoe la tubtiloe sadaqatikum bilmanni walatha kallathee yunfiqu malahu riaa annasi wala yuminu billahi walyawmi alakhiri famathaluhu kamathali safwanin AAalayhi turabun faasabahu wabilun fatarakahu saldan la yaqdiroena AAala shayin mimma kasaboe wallahu la yahdee alqawma alkafireen
وَمَثَلُ ٱلَّذِينَ يُنفِقُونَ أَمۡوَٰلَهُمُ ٱبۡتِغَآءَ مَرۡضَاتِ ٱللَّهِ وَتَثۡبِيتٗا مِّنۡ أَنفُسِهِمۡ كَمَثَلِ جَنَّةِۭ بِرَبۡوَةٍ أَصَابَهَا وَابِلٞ فَـَٔاتَتۡ أُكُلَهَا ضِعۡفَيۡنِ فَإِن لَّمۡ يُصِبۡهَا وَابِلٞ فَطَلّٞۗ وَٱللَّهُ بِمَا تَعۡمَلُونَ بَصِيرٌ ٢٦٥
En de gelijkenis van degenen die hun welvaart besteden om Allah’s genoegen te zoeken en de versterking van hun ziel, is als de gelijkenis van een tuin op een hoge en vruchtbare plaats, waar zware regen op valt en (die) dan dubbel vrucht draagt. En als er geen zware regen valt, is lichte dauw voldoende. En Allah is Alziende over wat jullie doen.
Wamathalu allatheena yunfiqoena amwalahumu ibtighaa mardati Allahi watathbeetan min anfusihim kamathali jannatin birabwatin asabaha wabilun faatat okulaha diAAfayni fain lam yusibha wabilun fatallun wallahu bima taAAmaloena baseer
أَيَوَدُّ أَحَدُكُمۡ أَن تَكُونَ لَهُۥ جَنَّةٞ مِّن نَّخِيلٖ وَأَعۡنَابٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ لَهُۥ فِيهَا مِن كُلِّ ٱلثَّمَرَٰتِ وَأَصَابَهُ ٱلۡكِبَرُ وَلَهُۥ ذُرِّيَّةٞ ضُعَفَآءُ فَأَصَابَهَآ إِعۡصَارٞ فِيهِ نَارٞ فَٱحۡتَرَقَتۡۗ كَذَٰلِكَ يُبَيِّنُ ٱللَّهُ لَكُمُ ٱلۡأٓيَٰتِ لَعَلَّكُمۡ تَتَفَكَّرُونَ ٢٦٦
Wenst één van jullie een dadeltuin te bezitten en druivenstokken, met rivieren die daar onderdoor stromen, en met allerlei soorten fruit voor hem daarin, terwijl hij een hoge leeftijd heeft behaald en zijn kinderen zwak zijn, terwijl het (de tuin) dan door een vurige wervelwind wordt getroffen, zodat het verbrandt? Zo maakt Allah Zijn Tekenen duidelijk aan jullie. Hopelijk zullen jullie nadenken!
Ayawaddu ahadukum an takoena lahu jannatun min nakheelin waaAAnabin tajree min tahtiha alanharu lahu feeha min kulli aththamarati waasabahu alkibaru walahu thurriyyatun duAAafao faasabaha iAAsarun feehi narun fahtaraqat kathalika yubayyinu Allahu lakumu alayati laAAallakum tatafakkaroen
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ أَنفِقُواْ مِن طَيِّبَٰتِ مَا كَسَبۡتُمۡ وَمِمَّآ أَخۡرَجۡنَا لَكُم مِّنَ ٱلۡأَرۡضِۖ وَلَا تَيَمَّمُواْ ٱلۡخَبِيثَ مِنۡهُ تُنفِقُونَ وَلَسۡتُم بِـَٔاخِذِيهِ إِلَّآ أَن تُغۡمِضُواْ فِيهِۚ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ غَنِيٌّ حَمِيدٌ ٢٦٧
O, jullie die geloven! Geef van de goede dingen die jullie eerlijk verdiend hebben en van wat Wij voor jullie uit de aarde hebben voortgebracht en neem jullie niet voor om van het slechte te besteden, "waarvan jullie slechts met gesloten zouden nemen. En weet dat Allah Behoefteloos, Prijzenswaardig is.
Ya-ayyuha allatheena amanoe anfiqoe min tayyibati ma kasabtum wamimma akhrajna lakum mina alardi wala tayammamoe alkhabeetha minhu tunfiqoena walastum biakhitheehi illa an tughmidoe feehi waAAlamoe anna Allaha ghaniyyun hameed
ٱلشَّيۡطَٰنُ يَعِدُكُمُ ٱلۡفَقۡرَ وَيَأۡمُرُكُم بِٱلۡفَحۡشَآءِۖ وَٱللَّهُ يَعِدُكُم مَّغۡفِرَةٗ مِّنۡهُ وَفَضۡلٗاۗ وَٱللَّهُ وَٰسِعٌ عَلِيمٞ ٢٦٨
Satan dreigt jullie met armoede (tijdens het geven van liefdadigheid) en spoort jullie aan tot gierigheid (door de zakaat achter te houden). Terwijl Allah jullie (vanwege jullie uitgaven) vergeving (voor jullie zonden) en overvloed belooft. En Allah is Alomvattend, Alwetend.
Ashshaytanu yaAAidukumu alfaqra wayamurukum bilfahshai wallahu yaAAidukum maghfiratan minhu wafadlan wallahu wasiAAun AAaleem
يُؤۡتِي ٱلۡحِكۡمَةَ مَن يَشَآءُۚ وَمَن يُؤۡتَ ٱلۡحِكۡمَةَ فَقَدۡ أُوتِيَ خَيۡرٗا كَثِيرٗاۗ وَمَا يَذَّكَّرُ إِلَّآ أُوْلُواْ ٱلۡأَلۡبَٰبِ ٢٦٩
Hij geeft Wijsheid aan wie Hij wil en degene die de wijsheid heeft gekregen, heeft zeker een overvloedig goed gekregen. En niemand laat zich vermanen dan de mensen van begrip.
Yutee alhikmata man yashao waman yuta alhikmata faqad oetiya khayran katheeran wama yaththakkaru illa oloe alalbab
وَمَآ أَنفَقۡتُم مِّن نَّفَقَةٍ أَوۡ نَذَرۡتُم مِّن نَّذۡرٖ فَإِنَّ ٱللَّهَ يَعۡلَمُهُۥۗ وَمَا لِلظَّٰلِمِينَ مِنۡ أَنصَارٍ ٢٧٠
En alles wat jullie ook in liefdadigheid uitgeven of welke eed jullie ook afleggen, wees er zeker van dat Allah alles weet. En voor de onrechtvaardigen zijn geen helpers.
Wama anfaqtum min nafaqatin aw nathartum min nathrin fainna Allaha yaAAlamuhu wama liththalimeena min ansar
إِن تُبۡدُواْ ٱلصَّدَقَٰتِ فَنِعِمَّا هِيَۖ وَإِن تُخۡفُوهَا وَتُؤۡتُوهَا ٱلۡفُقَرَآءَ فَهُوَ خَيۡرٞ لَّكُمۡۚ وَيُكَفِّرُ عَنكُم مِّن سَيِّـَٔاتِكُمۡۗ وَٱللَّهُ بِمَا تَعۡمَلُونَ خَبِيرٞ ٢٧١
Als jullie de liefdadigheid openlijk laten zien, is dat goed, maar als jullie het in stilte aan de armen geven, is dat beter voor jullie. (Allah) zal jullie je zonden vergeven. En Allah is Alwetend over wat jullie doen.
In tubdoe assadaqati faniAAimma hiya wain tukhfoeha watutoeha alfuqaraa fahuwa khayrun lakum wayukaffiru AAankum min sayyiatikum wallahu bima taAAmaloena khabeer
۞ لَّيۡسَ عَلَيۡكَ هُدَىٰهُمۡ وَلَٰكِنَّ ٱللَّهَ يَهۡدِي مَن يَشَآءُۗ وَمَا تُنفِقُواْ مِنۡ خَيۡرٖ فَلِأَنفُسِكُمۡۚ وَمَا تُنفِقُونَ إِلَّا ٱبۡتِغَآءَ وَجۡهِ ٱللَّهِۚ وَمَا تُنفِقُواْ مِنۡ خَيۡرٖ يُوَفَّ إِلَيۡكُمۡ وَأَنتُمۡ لَا تُظۡلَمُونَ ٢٧٢
Het is niet aan jou hen te leiden, maar Allah leidt wie Hij wil. En al het goede dat je besteedt is voor jezelf, als je het omwille voor het zoeken van Allah’s welbehagen doet. En al het goede wat je besteedt zal jullie beloond worden en jullie zullen niet onrechtvaardig behandeld worden.
Laysa AAalayka hudahum walakinna Allaha yahdee man yashao wama tunfiqoe min khayrin falianfusikum wama tunfiqoena illa ibtighaa wajhi Allahi wama tunfiqoe min khayrin yuwaffa ilaykum waantum la tuthlamoen
لِلۡفُقَرَآءِ ٱلَّذِينَ أُحۡصِرُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ لَا يَسۡتَطِيعُونَ ضَرۡبٗا فِي ٱلۡأَرۡضِ يَحۡسَبُهُمُ ٱلۡجَاهِلُ أَغۡنِيَآءَ مِنَ ٱلتَّعَفُّفِ تَعۡرِفُهُم بِسِيمَٰهُمۡ لَا يَسۡـَٔلُونَ ٱلنَّاسَ إِلۡحَافٗاۗ وَمَا تُنفِقُواْ مِنۡ خَيۡرٖ فَإِنَّ ٱللَّهَ بِهِۦ عَلِيمٌ ٢٧٣
(Liefdadigheid is) voor de armen, die door Allah beperkt zijn en zich niet door het land kunnen bewegen. Degene die hen niet kent, denkt dat zij rijk zijn vanwege hun bescheidenheid. Je herkent hen aan hun tekens; zij vragen niet van de mensen op opdringende wijze. En al het goede dat jullie uitgeven, waarlijk Allah weet ervan. .
Lilfuqarai allatheena ohsiroe fee sabeeli Allahi la yastateeAAoena darban fee alardi yahsabuhumu aljahilu aghniyaa mina attaAAaffufi taAArifuhum biseemahum la yasaloena annasa ilhafan wama tunfiqoe min khayrin fainna Allaha bihi AAaleem
ٱلَّذِينَ يُنفِقُونَ أَمۡوَٰلَهُم بِٱلَّيۡلِ وَٱلنَّهَارِ سِرّٗا وَعَلَانِيَةٗ فَلَهُمۡ أَجۡرُهُمۡ عِندَ رَبِّهِمۡ وَلَا خَوۡفٌ عَلَيۡهِمۡ وَلَا هُمۡ يَحۡزَنُونَ ٢٧٤
Degenen die ’s nachts en overdag van hun rijkdommen uitgeven, heimelijk en in het openbaar, hebben hun beloning bij hun Heer. Voor hen zal er geen vrees zijn, noch zullen zij bedroefd zijn.
Allatheena yunfiqoena amwalahum billayli wannahari sirran waAAalaniyatan falahum ajruhum AAinda rabbihim wala khawfun AAalayhim wala hum yahzanoen
ٱلَّذِينَ يَأۡكُلُونَ ٱلرِّبَوٰاْ لَا يَقُومُونَ إِلَّا كَمَا يَقُومُ ٱلَّذِي يَتَخَبَّطُهُ ٱلشَّيۡطَٰنُ مِنَ ٱلۡمَسِّۚ ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمۡ قَالُوٓاْ إِنَّمَا ٱلۡبَيۡعُ مِثۡلُ ٱلرِّبَوٰاْۗ وَأَحَلَّ ٱللَّهُ ٱلۡبَيۡعَ وَحَرَّمَ ٱلرِّبَوٰاْۚ فَمَن جَآءَهُۥ مَوۡعِظَةٞ مِّن رَّبِّهِۦ فَٱنتَهَىٰ فَلَهُۥ مَا سَلَفَ وَأَمۡرُهُۥٓ إِلَى ٱللَّهِۖ وَمَنۡ عَادَ فَأُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلنَّارِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٢٧٥
Degenen die rente verteren zullen op geen andere wijze (uit hun graven) herrijzen dan als iemand die door de duivel werd bezeten, die hen in waanzin leidt. Dat is omdat zij zeggen: “Handel is als rente,” maar Allah heeft de handel toegestaan en de rente verboden. Iedereen die dus een vermaning van zijn Heer ontvangt en stopt met het verteren van rente, zal niet voor het verleden gestraft worden; zijn zaak ligt voor Allah, maar iedereen die terugkeert, zijn de bewoners van het Vuur: zij zullen daarin altijd verblijven.
Allatheena yakuloena arriba la yaqoemoena illa kama yaqoemu allathee yatakhabbatuhu ashshaytanu mina almassi thalika biannahum qaloe innama albayAAu mithlu arriba waahalla Allahu albayAAa waharrama arriba faman jaahu mawAAithatun min rabbihi fantaha falahu ma salafa waamruhu ila Allahi waman AAada faolaika ashabu annari hum feeha khalidoen
يَمۡحَقُ ٱللَّهُ ٱلرِّبَوٰاْ وَيُرۡبِي ٱلصَّدَقَٰتِۗ وَٱللَّهُ لَا يُحِبُّ كُلَّ كَفَّارٍ أَثِيمٍ ٢٧٦
Allah zal de rente verwoesten en zal daden van liefdadigheid doen toenemen. En Allah houdt niet van de ongelovige zondaren.
Yamhaqu Allahu arriba wayurbee assadaqati wallahu la yuhibbu kulla kaffarin atheem
إِنَّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ وَأَقَامُواْ ٱلصَّلَوٰةَ وَءَاتَوُاْ ٱلزَّكَوٰةَ لَهُمۡ أَجۡرُهُمۡ عِندَ رَبِّهِمۡ وَلَا خَوۡفٌ عَلَيۡهِمۡ وَلَا هُمۡ يَحۡزَنُونَ ٢٧٧
Waarlijk degenen die geloven en goede daden verrichten en hun gebeden perfect verrichten en zakaat geven, zij zullen hun beloning bij hun Heer hebben. En zij zullen niet vrezen, noch zullen zij bedroefd zijn.
Inna allatheena amanoe waAAamiloe assalihati waaqamoe assalata waatawoe azzakata lahum ajruhum AAinda rabbihim wala khawfun AAalayhim wala hum yahzanoen
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَذَرُواْ مَا بَقِيَ مِنَ ٱلرِّبَوٰٓاْ إِن كُنتُم مُّؤۡمِنِينَ ٢٧٨
O, jullie die geloven. Vrees Allah en geef op wat er van (het vragen van) van rente overblijft, als jullie ware gelovigen zijn!
Ya-ayyuha allatheena amanoe ittaqoe Allaha watharoe ma baqiya mina arriba in kuntum mumineen
فَإِن لَّمۡ تَفۡعَلُواْ فَأۡذَنُواْ بِحَرۡبٖ مِّنَ ٱللَّهِ وَرَسُولِهِۦۖ وَإِن تُبۡتُمۡ فَلَكُمۡ رُءُوسُ أَمۡوَٰلِكُمۡ لَا تَظۡلِمُونَ وَلَا تُظۡلَمُونَ ٢٧٩
En als jullie dat niet doen, hoedt jullie dan voor de aankondiging van oorlog van Allah en Zijn boodschapper, maar als jullie berouw hebben, zullen jullie je geldelijke som behouden. Handel niet onrechtmatig en jullie zullen niet onrechtvaardig behandeld worden.
Fain lam tafAAaloe fathanoe biharbin mina Allahi warasoelihi wain tubtum falakum ruoesu amwalikum la tathlimoena wala tuthlamoen
وَإِن كَانَ ذُو عُسۡرَةٖ فَنَظِرَةٌ إِلَىٰ مَيۡسَرَةٖۚ وَأَن تَصَدَّقُواْ خَيۡرٞ لَّكُمۡ إِن كُنتُمۡ تَعۡلَمُونَ ٢٨٠
En als de schuldenaar in moeilijkheden verkeert, geef hem dan uitstel van betaling totdat hij wél kan betalen. Maar als jullie het als liefdadigheid kwijtschelden is dat beter voor jullie, als jullie dat maar weten.
Wain kana thoe AAusratin fanathiratun ila maysaratin waan tasaddaqoe khayrun lakum in kuntum taAAlamoen
وَٱتَّقُواْ يَوۡمٗا تُرۡجَعُونَ فِيهِ إِلَى ٱللَّهِۖ ثُمَّ تُوَفَّىٰ كُلُّ نَفۡسٖ مَّا كَسَبَتۡ وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ٢٨١
En vrees de dag waarop jullie tot Allah worden teruggebracht. Dan zal elke ziel beloond worden voor wat hij heeft verdiend en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld worden.
Wattaqoe yawman turjaAAoena feehi ila Allahi thumma tuwaffa kullu nafsin ma kasabat wahum la yuthlamoen
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ إِذَا تَدَايَنتُم بِدَيۡنٍ إِلَىٰٓ أَجَلٖ مُّسَمّٗى فَٱكۡتُبُوهُۚ وَلۡيَكۡتُب بَّيۡنَكُمۡ كَاتِبُۢ بِٱلۡعَدۡلِۚ وَلَا يَأۡبَ كَاتِبٌ أَن يَكۡتُبَ كَمَا عَلَّمَهُ ٱللَّهُۚ فَلۡيَكۡتُبۡ وَلۡيُمۡلِلِ ٱلَّذِي عَلَيۡهِ ٱلۡحَقُّ وَلۡيَتَّقِ ٱللَّهَ رَبَّهُۥ وَلَا يَبۡخَسۡ مِنۡهُ شَيۡـٔٗاۚ فَإِن كَانَ ٱلَّذِي عَلَيۡهِ ٱلۡحَقُّ سَفِيهًا أَوۡ ضَعِيفًا أَوۡ لَا يَسۡتَطِيعُ أَن يُمِلَّ هُوَ فَلۡيُمۡلِلۡ وَلِيُّهُۥ بِٱلۡعَدۡلِۚ وَٱسۡتَشۡهِدُواْ شَهِيدَيۡنِ مِن رِّجَالِكُمۡۖ فَإِن لَّمۡ يَكُونَا رَجُلَيۡنِ فَرَجُلٞ وَٱمۡرَأَتَانِ مِمَّن تَرۡضَوۡنَ مِنَ ٱلشُّهَدَآءِ أَن تَضِلَّ إِحۡدَىٰهُمَا فَتُذَكِّرَ إِحۡدَىٰهُمَا ٱلۡأُخۡرَىٰۚ وَلَا يَأۡبَ ٱلشُّهَدَآءُ إِذَا مَا دُعُواْۚ وَلَا تَسۡـَٔمُوٓاْ أَن تَكۡتُبُوهُ صَغِيرًا أَوۡ كَبِيرًا إِلَىٰٓ أَجَلِهِۦۚ ذَٰلِكُمۡ أَقۡسَطُ عِندَ ٱللَّهِ وَأَقۡوَمُ لِلشَّهَٰدَةِ وَأَدۡنَىٰٓ أَلَّا تَرۡتَابُوٓاْ إِلَّآ أَن تَكُونَ تِجَٰرَةً حَاضِرَةٗ تُدِيرُونَهَا بَيۡنَكُمۡ فَلَيۡسَ عَلَيۡكُمۡ جُنَاحٌ أَلَّا تَكۡتُبُوهَاۗ وَأَشۡهِدُوٓاْ إِذَا تَبَايَعۡتُمۡۚ وَلَا يُضَآرَّ كَاتِبٞ وَلَا شَهِيدٞۚ وَإِن تَفۡعَلُواْ فَإِنَّهُۥ فُسُوقُۢ بِكُمۡۗ وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَۖ وَيُعَلِّمُكُمُ ٱللَّهُۗ وَٱللَّهُ بِكُلِّ شَيۡءٍ عَلِيمٞ ٢٨٢
O, jullie die geloven! Als jullie een overeenkomst van een schuld voor een bepaalde tijd vastleggen, schrijf het dan op. Laat een schrijver het op een rechtvaardige manier tussen jullie opschrijven. Laat de schrijver niet weigeren het te noteren zoals Allah hem onderwezen heeft, laat het hem dus noteren. Laat degene die de schuld aangaat dicteren, en laat hem Allah, zijn Heer vrezen en laat hem niets (van wat hij schuldig is) in mindering brengen. Maar als de schuldenaar zwak van begrip is, of dwaas, of niet in staat is om het zelf te dicteren, laat dan zijn voogd het in rechtvaardigheid dicteren. En jullie nemen twee getuigen van jullie eigen mannen. En als er geen twee mannen (beschikbaar zijn) neem dan één man en twee vrouwen, die jullie als getuigen goedkeuren. Zodat als één (van de twee vrouwen) zich vergist de ander haar kan corrigeren. En de getuigen mogen niet weigeren wanneer zij worden opgeroepen. En wordt het schrijven niet moe, of het nu klein of groot is, betreffende de vervaltijd, dat is in Allah’s ogen eerder rechtvaardig: een beter bewijs, en passender om twijfel onder jullie te voorkomen. Behalve wanneer het contante handel is die jullie op de plaats tussen elkaar afsluiten, dan begaan jullie geen zonden als jullie het niet noteren. Maar neem getuigen als jullie een handelscontract afsluiten. Laat noch de schrijver, noch de getuigen benadeeld worden, wanneer jullie hen (toch) schaden, dan zou dat een zware zonde van jullie zijn. Vrees Allah dus; en het is Allah Die jullie onderwijst. En Allah is de Kenner van alle zaken.
Ya-ayyuha allatheena amanoe itha tadayantum bidaynin ila ajalin musamman faktuboehu walyaktub baynakum katibun bilAAadli wala yaba katibun an yaktuba kama AAallamahu Allahu falyaktub walyumlili allathee AAalayhi alhaqqu walyattaqi Allaha rabbahu wala yabkhas minhu shayan fain kana allathee AAalayhi alhaqqu safeehan aw daAAeefan aw la yastateeAAu an yumilla huwa falyumlil waliyyuhu bilAAadli wastashhidoe shaheedayni min rijalikum fain lam yakoena rajulayni farajulun wamraatani mimman tardawna mina ashshuhadai an tadilla ihdahuma fatuthakkira ihdahuma alokhra wala yaba ashshuhadao itha ma duAAoe wala tasamoe an taktuboehu sagheeran aw kabeeran ila ajalihi thalikum aqsatu AAinda Allahi waaqwamu lishshahadati waadna alla tartaboe illa an takoena tijaratan hadiratan tudeeroenaha baynakum falaysa AAalaykum junahun alla taktuboeha waashhidoe itha tabayaAAtum wala yudarra katibun wala shaheedun wain tafAAaloe fainnahu fusoequn bikum wattaqoe Allaha wayuAAallimukumu Allahu wallahu bikulli shayin AAaleem
۞ وَإِن كُنتُمۡ عَلَىٰ سَفَرٖ وَلَمۡ تَجِدُواْ كَاتِبٗا فَرِهَٰنٞ مَّقۡبُوضَةٞۖ فَإِنۡ أَمِنَ بَعۡضُكُم بَعۡضٗا فَلۡيُؤَدِّ ٱلَّذِي ٱؤۡتُمِنَ أَمَٰنَتَهُۥ وَلۡيَتَّقِ ٱللَّهَ رَبَّهُۥۗ وَلَا تَكۡتُمُواْ ٱلشَّهَٰدَةَۚ وَمَن يَكۡتُمۡهَا فَإِنَّهُۥٓ ءَاثِمٞ قَلۡبُهُۥۗ وَٱللَّهُ بِمَا تَعۡمَلُونَ عَلِيمٞ ٢٨٣
En als jullie op reis zijn en geen schrijver kunnen vinden, laat er dan een eed worden afgelegd met een onderpand, als jullie elkaar dan iets toevertrouwen, laat dan degene aan wie iets toevertrouwd is, het toevertrouwde teruggeven en laat hem Allah, Zijn Heer, vrezen. En bedek het bewijs niet, want degene die het verbergt, heeft waarlijk een zondig hart. En Allah is Alwetend van wat jullie doen.
Wain kuntum AAala safarin walam tajidoe katiban farihanun maqboedatun fain amina baAAdukum baAAdan falyuaddi allathee itumina amanatahu walyattaqi Allaha rabbahu wala taktumoe ashshahadata waman yaktumha fainnahu athimun qalbuhu wallahu bima taAAmaloena AAaleem
لِّلَّهِ مَا فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِي ٱلۡأَرۡضِۗ وَإِن تُبۡدُواْ مَا فِيٓ أَنفُسِكُمۡ أَوۡ تُخۡفُوهُ يُحَاسِبۡكُم بِهِ ٱللَّهُۖ فَيَغۡفِرُ لِمَن يَشَآءُ وَيُعَذِّبُ مَن يَشَآءُۗ وَٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٌ ٢٨٤
Aan Allah behoort alles wat in de hemelen is en wat op aarde is. En of jullie nu openlijk laten zien wat jullie denken of jullie verbergen het; Allah zal jullie daarvoor ter verantwoording roepen. Hij vergeeft wie Hij wil en Hij bestraft wie Hij wil. En Allah is tot alle zaken in staat.
Lillahi ma fee assamawati wama fee alardi wain tubdoe ma fee anfusikum aw tukhfoehu yuhasibkum bihi Allahu fayaghfiru liman yashao wayuAAaththibu man yashao wallahu AAala kulli shayin qadeer
ءَامَنَ ٱلرَّسُولُ بِمَآ أُنزِلَ إِلَيۡهِ مِن رَّبِّهِۦ وَٱلۡمُؤۡمِنُونَۚ كُلٌّ ءَامَنَ بِٱللَّهِ وَمَلَٰٓئِكَتِهِۦ وَكُتُبِهِۦ وَرُسُلِهِۦ لَا نُفَرِّقُ بَيۡنَ أَحَدٖ مِّن رُّسُلِهِۦۚ وَقَالُواْ سَمِعۡنَا وَأَطَعۡنَاۖ غُفۡرَانَكَ رَبَّنَا وَإِلَيۡكَ ٱلۡمَصِيرُ ٢٨٥
De Boodschapper Mohammed (bevestigt) en gelooft in (de Koran) die naar hem werd gezonden door zijn Heer. En dit doen de gelovigen ook. Ieder van hen gelooft in Allah, Zijn Engelen, Zijn Boeken en Zijn Boodschappers. Zij zeggen: “Wij maken geen onderscheid tussen Zijn Boodschappers (i.t.t. de Joden en de Christenen).” En zij zeggen: “Wij luisteren (naar hun bevelen) en gehoorzamen. Wij vragen om Uw vergeving, onze Heer. En tot U zullen allen terugkeren.” (na de Wederopstanding)
Amana arrasoelu bima onzila ilayhi min rabbihi walmuminoena kullun amana billahi wamalaikatihi wakutubihi warusulihi la nufarriqu bayna ahadin min rusulihi waqaloe samiAAna waataAAna ghufranaka rabbana wailayka almaseer
لَا يُكَلِّفُ ٱللَّهُ نَفۡسًا إِلَّا وُسۡعَهَاۚ لَهَا مَا كَسَبَتۡ وَعَلَيۡهَا مَا ٱكۡتَسَبَتۡۗ رَبَّنَا لَا تُؤَاخِذۡنَآ إِن نَّسِينَآ أَوۡ أَخۡطَأۡنَاۚ رَبَّنَا وَلَا تَحۡمِلۡ عَلَيۡنَآ إِصۡرٗا كَمَا حَمَلۡتَهُۥ عَلَى ٱلَّذِينَ مِن قَبۡلِنَاۚ رَبَّنَا وَلَا تُحَمِّلۡنَا مَا لَا طَاقَةَ لَنَا بِهِۦۖ وَٱعۡفُ عَنَّا وَٱغۡفِرۡ لَنَا وَٱرۡحَمۡنَآۚ أَنتَ مَوۡلَىٰنَا فَٱنصُرۡنَا عَلَى ٱلۡقَوۡمِ ٱلۡكَٰفِرِينَ ٢٨٦
Allah belast niemand boven zijn vermogen. Hij ontvangt beloning voor (het goede) wat hij verricht heeft en (alléén) voor hem is de bestraffing voor wat hij doet. “Onze Heer! Straf ons niet voor wat wij (onopzettelijk) vergeten of wat wij fout doen. Onze Heer! Leg ons geen last op zoals U wel hebt gedaan bij diegenen die ons zijn voorgegaan. Onze Heer! Leg ons geen lasten (en beproevingen) op die wij niet kunnen dragen. Wis onze zonden en schenk ons vergiffenis op basis van Uw barmhartigheid. U bent onze Beschermer en Behoeder. Laat ons (daarom) de overwinning behalen op de ongelovigen, (in woord en daad).”"
La yukallifu Allahu nafsan illa wusAAaha laha ma kasabat waAAalayha ma iktasabat rabbana la tuakhithna in naseena aw akhtana rabbana wala tahmil AAalayna isran kama hamaltahu AAala allatheena min qablina rabbana wala tuhammilna ma la taqata lana bihi waAAfu AAanna waghfir lana warhamna anta mawlana fansurna AAala alqawmi alkafireen